Waarom de overheid vastloopt in haar eigen systemen

door Marco Derksen op 10 juli 2026

Sinds de toeslagenaffaire is duidelijker dan ooit waar de Nederlandse overheid vastloopt. Uitvoeringsorganisaties, toezichthouders, wetenschappers en juristen hebben de afgelopen jaren vanuit verschillende disciplines onderzocht waar en waarom hardnekkige problemen blijven terugkeren. Opvallend is dat hun analyses, ondanks uiteenlopende invalshoeken, grotendeels tot dezelfde conclusie komen. De overheid ziet steeds beter wat er misgaat, maar de manier waarop wetgeving, uitvoering, digitalisering en bestuurlijke verantwoording zijn georganiseerd, maakt het moeilijk om op basis van dat inzicht anders te handelen.

In deze blog (en mijn nieuwsbrief op LinkedIn) schets ik een overzicht van recente analyses die een overheidssysteem schetsen dat in de loop der jaren de handelingsruimte van professionals, organisaties en bestuurders op veel plaatsen heeft beperkt.

De Staat van de Uitvoering (2024) laat al meerdere jaren zien dat uitvoeringsorganisaties vrijwel dezelfde knelpunten signaleren. De belangrijkste zijn de toenemende complexiteit van wet- en regelgeving, beperkte gegevensuitwisseling tussen publieke organisaties en beleid dat in de praktijk moeilijk uitvoerbaar blijkt. De centrale oproep is steeds dezelfde: verminder de complexiteit en betrek de uitvoering vanaf het begin bij de ontwikkeling van nieuw beleid.

De Staat van de wetgevingskwaliteit (2025) beschrijft terugkerende spanningen rond de menselijke maat, compensatieregelingen, de balans tussen snelheid en rechtsstatelijkheid en de bescherming van persoonsgegevens.

De gezamenlijke notitie Naar een realistische overheid (2025) van de Algemene Rekenkamer, de Nationale ombudsman en de Raad van State concludeert dat de overheid regelmatig verwachtingen wekt die zij niet kan waarmaken, omdat uitvoerbaarheid, capaciteit en juridische grenzen onvoldoende zijn meegewogen.

De praktijk laat zien wat daarvan de gevolgen zijn. De toeslagenaffaire maakte duidelijk hoe een systeem jarenlang volgens de regels kon functioneren en toch grote groepen mensen ernstig kon benadelen. Bij het UWV bleek in 2024 dat WIA-uitkeringen jarenlang onjuist waren berekend, waardoor tienduizenden mensen te veel of juist te weinig uitkering ontvingen. Ook hersteloperaties verlopen vervolgens moeizaam, omdat zij opnieuw vastlopen in complexe regels en procedures. Vergelijkbare patronen zijn zichtbaar bij de schadeafhandeling in Groningen, het stikstofdossier en het asielbeleid.

De Nederlandse Juristen-Vereniging wijst in haar preadvies De uitvoerbaarheid van wet- en regelgeving onder druk (2026) op onderzoek van PwC waaruit blijkt dat wet- en regelgeving de afgelopen decennia steeds complexer is geworden. Uitvoeringsorganisaties moeten rekening houden met een groeiend aantal regels, uitzonderingen en onderlinge verwijzingen tussen regelingen. Daardoor wordt de uitvoering ingewikkelder, nemen administratieve lasten toe en kost het meer tijd om besluiten zorgvuldig uit te voeren. Volgens het onderzoek hangt deze ontwikkeling samen met een afnemende productiviteit van uitvoeringsorganisaties en langere wachttijden voor burgers en bedrijven.

De toekomstverkenning Inspiratie uit de toekomst (2025) komt tot dezelfde conclusies. Volgens de Stuurgroep Staat van de Uitvoering vragen de maatschappelijke opgaven van de komende jaren niet alleen om technologische vernieuwing, maar vooral om een fundamentele vereenvoudiging van bestaande wet- en regelgeving en een gezamenlijke visie op publieke dienstverlening. Zonder zo’n vereenvoudiging wordt het steeds moeilijker maatschappelijke beloften waar te maken en blijven hersteloperaties zich herhalen.

Mariette Lokin, bijzonder hoogleraar Wetgeven in de digitale rechtsstaat aan de Open Universiteit, laat in haar oratie Digitaal disciplineren anno 2026 zien dat digitalisering deze spanning verder vergroot. Wetten bevatten vaak open normen die ruimte laten voor afweging, terwijl computers alleen met eenduidige beslisregels kunnen werken. Als de wetgever die vertaalslag niet expliciet maakt, verschuiven belangrijke juridische keuzes ongemerkt naar de uitvoering of de software. Besluiten worden daardoor minder uitlegbaar en moeilijker te controleren. Volgens Lokin moet daarom al bij het ontwerpen van wetgeving rekening worden gehouden met de digitale uitvoering.

Arre Zuurmond, voormalig regeringscommissaris Informatiehuishouding, beschrijft in zijn eindrapport Dwars door de orde (2025) hetzelfde mechanisme vanuit de dagelijkse praktijk. Professionals weten vaak goed wat inwoners nodig hebben, maar besteden een groot deel van hun tijd aan registraties, controles en verantwoording. Daardoor verschuift de aandacht van de mens naar het systeem. Volgens Zuurmond ligt het probleem niet bij de professional, maar bij de bureaucratische inrichting van de overheid.

Vanuit een ander perspectief komt Patrick Kenis, tot voor kort hoogleraar organisatie-wetenschap aan Tilburg University, in zijn farewell lecture (2026) tot een vergelijkbare conclusie. Maatschappelijke vraagstukken vragen om samenwerking tussen organisaties, maar die worden vooral beoordeeld op hun eigen prestaties, budgetten en verantwoordingsregels. Daardoor weten organisaties vaak wel wat gezamenlijk nodig is, maar ontbreekt de ruimte om daarnaar te handelen.

Dat beeld sluit nauw aan bij het onderzoek Strijden tussen signaal en systeem (2026) van de Nederlandse School voor Openbaar Bestuur (NSOB). Op basis van gesprekken met professionals van onder meer de Belastingdienst, Dienst Toeslagen, UWV, DUO en gemeenten laten de onderzoekers zien dat signalen over structurele problemen meestal niet ontbreken. Ze lopen echter vast in organisatiegrenzen, samenwerkingsrelaties, sturingsmechanismen, wet- en regelgeving en diepgewortelde institutionele overtuigingen. Het probleem is daarmee niet zozeer het signaleren, maar het structureel opvolgen van die signalen.

Waar de eerdere publicaties vooral institutionele mechanismen beschrijven, plaatst de Duitse socioloog Hartmut Rosa deze ontwikkeling in zijn recent verschenen boek De wereld als constellatie: Hoe de handelingsruimte verdwijnt (2026) in een bredere maatschappelijke context. Hij beschrijft hoe professionals steeds minder kunnen handelen op basis van ervaring en vakmanschap en steeds vaker uitvoerders worden van protocollen, indicatoren en algoritmen. Daardoor verdwijnt niet alleen professionele ruimte, maar ook het vermogen om in concrete situaties zorgvuldig af te wegen wat passend is.

Een vergelijkbare oproep klinkt in de Majoor Bosshardt-rede (2026) van Reinier van Zutphen, Nationale ombudsman. Volgens hem ontstaan maatschappelijke problemen wanneer mensen de verbinding met de samenleving verliezen. Een goed functionerende overheid vraagt daarom niet alleen om goede regels, maar ook om blijvende aandacht voor de werkelijkheid van mensen en voor de verantwoordelijkheid van instituties om die verbinding te onderhouden.

De verschillende publicaties verschillen in accent, maar hun aanbevelingen lopen opvallend parallel. Zij pleiten voor eenvoudiger wet- en regelgeving, een eerdere betrokkenheid van uitvoeringsorganisaties bij nieuw beleid, betere samenwerking tussen disciplines, meer aandacht voor de digitale uitvoerbaarheid van wetgeving en meer ruimte voor professionele afwegingen binnen duidelijke rechtsstatelijke kaders. Daarnaast vragen zij om realistische politieke keuzes die beter aansluiten bij de beschikbare mensen, middelen en wettelijke mogelijkheden.

De meest opvallende conclusie is wat mij betreft dat over de diagnose inmiddels weinig verschil van inzicht lijkt te bestaan. De afgelopen jaren is vanuit de bestuurskunde, het recht, de organisatiewetenschap, het toezicht en de uitvoeringspraktijk veel onderzoek gedaan. Dezelfde patronen keren steeds terug. Er is veel geschreven, onderzocht, besproken en geanalyseerd. Toch blijken de instituties die deze patronen in stand houden nauwelijks wezenlijk te veranderen. Op basis van deze gezamenlijke analyses verschuift daarmee de centrale vraag van wat er misgaat naar waarom het zo moeilijk is om op basis van dat inzicht anders te organiseren en te handelen.

Die vraag raakt aan verandervermogen, leiderschap en institutioneel leren. Opvallend is dat organisaties die erkennen dat hun systeem is vastgelopen, vaak dezelfde structuren, dezelfde werkwijzen en soms zelfs dezelfde mensen inzetten om de noodzakelijke verandering vorm te geven. Daarmee is de kans groot dat bestaande patronen onbedoeld worden gereproduceerd. Juist wanneer de diagnose breed wordt gedeeld, ligt de uitdaging niet langer in beter analyseren, maar in anders leren kijken, denken en handelen. Dat vraagt om perspectieven van buiten de bestaande institutionele logica.

Denkers als Arend Ardon, die laat zien hoe organisaties verandering vaak onbewust zelf blokkeren, en Kees Tillema, die zich richt op duurzame organisatieontwikkeling en het ‘ontgroeven’ van vastgeroeste patronen, kunnen vanuit dat perspectief wellicht waardevolle inzichten bieden. Misschien ligt daar inmiddels wel de belangrijkste vervolgvraag: niet hoe we de overheid beter begrijpen, maar hoe een mentale transformatie kan ontstaan die het mogelijk maakt instituties daadwerkelijk anders te organiseren en daarmee ook anders te handelen.

Misschien is de komende periode een mooi moment om er eens rustig over na te denken, wandelend door de bergen, fietsend door het landschap of gewoon ergens liggend op het strand. Als de diagnose inmiddels zo breed wordt gedeeld, wat is er dan werkelijk nodig om anders te kijken, anders te denken en uiteindelijk ook anders te handelen? Voor nu wens ik iedereen een fijne en inspirerende zomer.

Bronnen

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze site gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie gegevens worden verwerkt.

Laatste blogs

Bekijk alle blogs (1438)
Contact