De afgelopen week kwam ik toevallig in aanraking met het werk van drie vooraanstaande neurowetenschappers: Dick Swaab, Erik Scherder en Rudi D’Hooge. Tijdens het VINT Symposium 2026 in Bussum sprak Erik Scherder over hersennetwerken en cognitieve gezondheid. Tijdens het slotweekend van de leergang Leren van Diversiteit & Innovatie in de Abdij van Park in Leuven gaf Rudi D’Hooge een lezing over geheugen, leren en hersenplasticiteit. Daarnaast luisterde ik naar een uitgebreid interview met Dick Swaab in Nooit meer slapen naar aanleiding van zijn recent gepubliceerde boek Een hersenonderzoeker bij toeval (2026). Hun accenten verschillen, maar samen schetsen zij drie complementaire perspectieven op het brein en op de wisselwerking tussen aanleg, ervaring en levenslange ontwikkeling.
En wie denkt het brein te kunnen nabootsen met AI, onderschat wat een mens is!
Dick Swaab (1944) is arts, hersenonderzoeker en voormalig directeur van het Nederlands Herseninstituut. Zijn bekendste boek, Wij zijn ons brein (2010), maakte inzichten uit de neurowetenschappen toegankelijk voor een breed publiek. In zijn recente neurobiografie Een hersenonderzoeker bij toeval (2026) verbindt hij zijn persoonlijke levensverhaal met de ontwikkeling van zijn wetenschappelijke ideeën over hersenen, gedrag en identiteit.
Gedurende zijn loopbaan deed Swaab onderzoek naar hersenontwikkeling, neuro-endocrinologie, psychiatrische aandoeningen en verschillen in hersenstructuren die samenhangen met gedrag en identiteit. Ook speelde hij een belangrijke rol bij de ontwikkeling van de Nederlandse Hersenbank, die internationaal heeft bijgedragen aan onderzoek naar onder meer Alzheimer, Parkinson en psychiatrische aandoeningen.
Een rode draad in zijn werk is dat veel aspecten van persoonlijkheid, seksuele oriëntatie, cognitieve mogelijkheden en kwetsbaarheid voor psychische aandoeningen al vroeg worden beïnvloed door genetische en prenatale factoren. In recente interviews benadrukt hij dat de vrije wil volgens een deel van het neurobiologisch onderzoek beperkter is dan vaak wordt aangenomen. Beslissingen worden voor een belangrijk deel voorbereid door onbewuste hersenprocessen voordat ze bewust worden ervaren. Tegelijkertijd wijst hij erop dat ieder brein uniek is door de combinatie van genetica, ontwikkeling en zelforganisatie. Zijn boodschap is dat verschillen tussen mensen voor een belangrijk deel biologisch zijn verankerd en dat maatschappelijke verwachtingen rekening moeten houden met mogelijkheden én beperkingen.

Erik Scherder (1951) is neuropsycholoog en hoogleraar klinische neuropsychologie. Zijn onderzoek en publieke optredens richten zich op de relatie tussen beweging, cognitief functioneren, veroudering en dementie. Waar Swaab vooral de nadruk legt op biologische uitgangsposities, laat Scherder zien hoe ervaringen en leefstijl het brein gedurende het hele leven blijven beïnvloeden.
In zijn werk schetst hij de hersenen als een netwerk van onderling verbonden knooppunten. Vooral frontale en pariëtale hersengebieden spelen een rol bij aandacht, planning, werkgeheugen, emotieregulatie en zelfcontrole. Scherder verwijst regelmatig naar onderzoek waaruit blijkt dat fysieke activiteit, mentale inspanning en sociale interactie bijdragen aan het onderhoud van deze netwerken. Omgekeerd hangen langdurig zitten, chronische stress, sociale isolatie en passief mediagebruik samen met een afname van de kwaliteit van deze hersennetwerken.
Tijdens het VINT Symposium 2026 toonde hij deze ideeën aan de hand van inzichten over aandacht, stressregulatie en de effecten van fysieke en mentale inspanning op cognitieve prestaties. Een terugkerend thema in zijn werk is dat hersengezondheid niet alleen afhangt van medische factoren, maar ook van dagelijkse gewoonten zoals bewegen, leren, sociale participatie en het opzoeken van nieuwe uitdagingen.

Rudi D’Hooge (1963) is neurowetenschapper aan de KU Leuven en gespecialiseerd in onderzoek naar leren, geheugen en hersenplasticiteit. Zijn werk bevindt zich meer in de experimentele neurowetenschappen dan in het publieke debat. Hij gebruikt vaak diermodellen om de biologische mechanismen achter geheugen en leerprocessen beter te begrijpen.
In zijn lezingen laat D’Hooge zien hoe klassieke experimenten van onderzoekers als Donald Hebb en Eric Kandel hebben geleid tot het huidige inzicht dat geheugen een netwerkproces is. Herinneringen worden daarbij niet opgeslagen als afzonderlijke bestanden, maar ontstaan door veranderingen in de verbindingen tussen zenuwcellen. Een belangrijk hersengebied in dit proces is de hippocampus, die essentieel is voor het vormen van nieuwe herinneringen.
Bekende casussen, zoals die van Henry Molaison, illustreren dat. Na beschadiging van beide hippocampi kon hij geen nieuwe herinneringen meer vormen. D’Hooge verwijst ook naar experimenten zoals de Morris Water Maze, waarin ratten en muizen leren navigeren. Na training zijn daarbij meetbare veranderingen in hersenverbindingen zichtbaar.
Tijdens het slotweekend van de leergang Leren van Diversiteit & Innovatie plaatste hij deze inzichten in een bredere context van leren, geheugen en aanpassingsvermogen. Daarbij verbond hij klassieke neurowetenschappelijke experimenten met actuele vragen over innovatie, leren en menselijke ontwikkeling.
Aan het einde van zijn lezing verwees hij naar de actualisering van de Lancet Commission (2024), waarin veertien beïnvloedbare risicofactoren voor dementie worden genoemd, waaronder beperkte scholing, lichamelijke inactiviteit, gehoorverlies, depressie, sociale isolatie, diabetes, hoge bloeddruk en hoofdletsel. Die factoren laten zien dat hersengezondheid niet alleen samenhangt met biologische aanleg, maar ook met leefstijl, gezondheid en sociale omstandigheden. Daarmee ontstaat een duidelijke verbinding met thema’s die ook bij Scherder terugkomen, terwijl biologische kwetsbaarheid, een centraal thema in het werk van Swaab, eveneens van belang blijft. De kern van D’Hooges boodschap is dat leren letterlijk gepaard gaat met veranderingen in hersennetwerken en dat plasticiteit een levenslang proces is.

Hoewel hun accenten verschillen, sluiten deze drie perspectieven elkaar niet uit. Swaab benadrukt dat mensen niet als een onbeschreven blad worden geboren en dat aanleg een belangrijke rol speelt. Scherder laat zien dat aanleg niet betekent dat ontwikkeling vastligt. Hersennetwerken blijven gedurende het leven beïnvloedbaar door gedrag en omgeving. D’Hooge maakt zichtbaar welke biologische mechanismen die veranderingen mogelijk maken.
Samen schetsen zij een beeld van de mens als een biologisch organisme dat zich voortdurend aanpast, leert en ontwikkelt. Een van de belangrijkste inzichten uit de moderne neurowetenschappen is dat het brein niet alleen wordt gevormd door aanleg (nature) of omgeving (nurture), maar door de wisselwerking tussen beide. Genen en vroege hersenontwikkeling leggen een belangrijke basis, maar ervaringen, leren, bewegen en sociale contacten blijven het brein gedurende het hele leven beïnvloeden. We worden niet geboren als een leeg blad, maar ook niet als een vaststaand ontwerp. Het brein brengt mogelijkheden en kwetsbaarheden mee, terwijl ervaringen en omstandigheden mede bepalen hoe deze zich gedurende het leven ontwikkelen. Swaab herinnert eraan dat biologische grenzen bestaan. Scherder laat zien dat die grenzen vaak ruimer zijn dan gedacht. D’Hooge verklaart hoe veranderingen in hersennetwerken ontstaan. Samen vertegenwoordigen zij drie complementaire perspectieven op dezelfde vraag: hoe komen menselijk gedrag, kennis en ontwikkeling voort uit het brein?

De inzichten van Swaab, Scherder en D’Hooge zijn niet alleen relevant voor ons begrip van menselijk gedrag en leren, maar ook voor actuele discussies over kunstmatige intelligentie (AI). De snelle vooruitgang van AI roept regelmatig vergelijkingen op met het menselijk brein. De neurowetenschappen laten echter zien hoe complex die vergelijking is en hoe fundamenteel de verschillen zijn.
Het menselijk brein bevat ongeveer 86 miljard neuronen en naar schatting honderden biljoenen synaptische verbindingen, die zich voortdurend aanpassen door neuroplasticiteit. Ondanks zijn enorme complexiteit verbruikt het menselijke brein in rust slechts ongeveer 20 watt vermogen, vergelijkbaar met het energieverbruik van een led-lamp. Moderne AI-systemen bestaan uit wiskundige modellen die draaien op gespecialiseerde chips in datacenters en tijdens training en gebruik aanzienlijk meer energie verbruiken. Waar het brein zich voortdurend aanpast op basis van ervaringen en functioneert in nauwe samenhang met lichaam, emoties en sociale interacties, zijn de meeste huidige AI-systemen gespecialiseerd in statistische patroonherkenning binnen vooraf gedefinieerde architecturen. De combinatie van schaal, plasticiteit, energie-efficiëntie en biologische inbedding laat zien hoe groot de afstand (nog) is tussen kunstmatige en biologische intelligentie.
Bronnen
- Livingston, G., et al. (2024). Dementia prevention, intervention, and care: 2024 report of the Lancet Standing Commission. The Lancet, 404(10452), 572–628.
- Swaab, D. (2010). Wij zijn ons brein: Van baarmoeder tot Alzheimer. Uitgeverij Pluim.
- Swaab, D. (2026). Een hersenonderzoeker bij toeval. Uitgeverij Pluim.
- Derksen, M. (2026, 14 juni). Leren van Diversiteit & Innovatie: vijf perspectieven op een complexe wereld.
- Van der Laan, F. (Interviewer), & Swaab, D. (Gast). (2026, 20 maart). Dick Swaab: Hersenonderzoeker en hoogleraar [Radio-interview]. In Nooit meer slapen. VPRO/NPO Radio 1.
- Stiefel, K. M., & Coggan, J. S. (2023). The energy challenges of artificial superintelligence. Frontiers in Artificial Intelligence, 6, Article 1240653.
2 reacties
Zie ook mijn LinkedIn-bericht:
https://www.linkedin.com/posts/mderksen_brein-hersenen-neurowetenschap-activity-7474352639577882624-t18w
Op basis van de reacties op LinkedIn heb ik het overzicht uitgebreid tot de 7 dimensies van het brein:
The Consciousness Clash
Naar aanleiding van de verwijzing van Raymond Witvoet naar het werk van Àlex Gómez-Marín in een reactie op mijn LinkedIn-bericht, stuitte ik op een interessante blog over The Consciousness Clash. Daarin wordt een fundamenteel menings-verschil binnen de wetenschap van het bewustzijn besproken. Aanleiding was een open brief die door meer dan honderd wetenschappers werd ondertekend en waarin kritiek werd geuit op Integrated Information Theory (IIT). Dat leidde tot een bredere discussie over wat goede wetenschap is en hoe nieuwe ideeën beoordeeld moeten worden.
De kern van het debat draait om twee verschillende manieren om bewustzijn te begrijpen:
Het verschil tussen beide theorieën is fundamenteel. GNWT vraagt hoe hersenen bewustzijn voortbrengen via informatieverwerking. IIT vraagt welke eigenschappen een systeem moet hebben om überhaupt bewust te kunnen zijn. Waar GNWT bewustzijn ziet als iets dat ontstaat uit neurale activiteit, beschouwt IIT bewustzijn als iets dat samenhangt met de mate van geïntegreerde informatie binnen een systeem.
In de blog wordt, onder verwijzing naar het werk van Gómez-Marín en Seth, benadrukt dat geen van de huidige theorieën een definitieve verklaring voor bewustzijn biedt. Daarom pleiten zij voor open wetenschappelijk debat, kritische toetsing en ruimte voor verschillende perspectieven. In dat verband kiest neurowetenschapper Àlex Gómez-Marín niet expliciet voor GNWT of IIT, maar waarschuwt hij vooral voor polarisatie en het te snel wegzetten van concurrerende ideeën als onwetenschappelijk. Volgens hem vraagt het bewustzijnsvraagstuk om epistemische bescheidenheid: de erkenning dat we nog veel niet weten. Juist bij een onderwerp dat zo fundamenteel en moeilijk te onderzoeken is, ontstaat wetenschappelijke vooruitgang volgens hem het best door open onderzoek en zorgvuldige toetsing van verschillende verklaringsmodellen.
Bronnen