Wat Kandinsky ons leert over anders kijken

door Marco Derksen op 26 juli 2026

Aan het einde van de negentiende eeuw veranderde de Europese kunst. Kunstenaars begonnen zich los te maken van de opdracht om de zichtbare werkelijkheid zo natuurgetrouw mogelijk weer te geven. Ontwikkelingen in wetenschap, psychologie, muziek en filosofie versterkten de vraag of kunst meer kon zijn dan een afbeelding van de buitenwereld. Binnen deze ontwikkeling nam Wassily Kandinsky (1866–1944) een belangrijke plaats in. Hij was schilder, theoreticus, docent en organisator. Zijn werk en publicaties droegen bij aan de ontwikkeling van de abstracte kunst en aan een andere manier van denken over de relatie tussen waarneming, vorm en betekenis.

Ik ben al lange tijd liefhebber van zijn werk. Vooral de kleuren, vormen en ritmes in zijn schilderijen uit de Bauhausperiode spreken mij aan. Afgelopen week zag ik opnieuw de Close Up-documentaire Kandinsky, pionier van abstracte kunst, die begin dit jaar door AVROTROS werd uitgezonden. De film laat zien hoe muziek, en in het bijzonder een uitvoering van Richard Wagner’s Lohengrin, Kandinsky hielp schilderkunst niet alleen als afbeelding te benaderen, maar als een ervaring van kleur, vorm, klank en beweging. Steeds vaker zie ik daarin een verband met mijn eigen werk op het gebied van transformatie. Kandinsky laat namelijk zien hoe je met een systemische blik kunt kijken: niet alleen naar afzonderlijke elementen, maar ook naar de relaties, patronen en spanningen daartussen.


Wassily Kandinsky werd op 16 december 1866 geboren in Moskou. Hij groeide deels op in Odessa, in het huidige Oekraïne, waar hij al op jonge leeftijd in aanraking kwam met muziek, theater en beeldende kunst. Hij kreeg piano- en celloles en bezocht met zijn familie tentoonstellingen en voorstellingen. Aan de Universiteit van Moskou studeerde hij rechten en economie. Zijn academische loopbaan leek veelbelovend: hem werd een hoogleraarschap aan de Universiteit van Dorpat aangeboden. Toch besloot hij op dertigjarige leeftijd een andere richting in te slaan en zich volledig op de schilderkunst te richten. In 1896 verhuisde hij naar München om daar een kunstopleiding te volgen.

In 1892 trouwde hij met zijn nicht Anna Chimyakina, die hem later naar München vergezelde. Het huwelijk hield geen stand. Tijdens zijn werkzaamheden voor de kunstenaarsgroep Phalanx ontmoette hij de jonge Duitse schilder Gabriele Münter. Zij werd zijn leerling, artistieke gesprekspartner en levensgezellin. Ruim tien jaar onderhielden zij een persoonlijke en artistieke relatie, reisden samen door Europa en Noord-Afrika en werkten vanaf 1908 geregeld in Murnau, ten zuiden van München.

Münter speelde een belangrijke rol in Kandinsky’s ontwikkeling. Zij liet hem bijvoorbeeld kennismaken met de techniek van het Beierse achterglasschilderen. Bij deze techniek worden de details eerst op de achterzijde van een glasplaat aangebracht en de grotere kleurvlakken en achtergrond pas daarna. Wanneer het werk wordt omgedraaid, verschijnt de voorstelling aan de andere kant van het glas. Deze omgekeerde werkwijze kan hebben bijgedragen aan Kandinsky’s toenemende gebruik van vereenvoudigde vormen en grotere kleurvlakken. Hun relatie eindigde tijdens de Eerste Wereldoorlog, toen Kandinsky Duitsland moest verlaten en naar Rusland terugkeerde.

In Moskou ontmoette Kandinsky de 17-jarige Nina Andreevskaya, met wie hij in 1917 trouwde en tot zijn overlijden samenbleef. Zij hadden elkaar eerder telefonisch gesproken. Kandinsky raakte zo getroffen door haar stem dat hij, nog voordat zij elkaar persoonlijk ontmoetten, het schilderij To the Unknown Voice (En hommage à une voix inconnue) maakte.

In zijn eerste jaren als kunstenaar schilderde Kandinsky vooral landschappen, stadsgezichten en voorstellingen die waren gebaseerd op Russische geschiedenis en volkscultuur. De onderwerpen bleven herkenbaar, maar kleur kreeg geleidelijk een zelfstandige rol. Kleuren dienden niet langer uitsluitend om bomen, gebouwen of mensen weer te geven. Zij begonnen binnen de compositie een eigen ritme en onderlinge spanning te vormen.

In 1901 richtte Kandinsky in München de kunstenaarsgroep Phalanx op. Een jaar later opende de vereniging een kunstschool, waar Kandinsky lesgaf. De school stond open voor vrouwen, wat binnen het kunstonderwijs van die tijd niet vanzelfsprekend was. Kandinsky organiseerde ook tentoonstellingen voor kunstenaars die buiten de gevestigde academische kaders werkten. Daarmee droeg hij niet alleen als schilder, maar ook als organisator bij aan de Europese avant-garde. Hij begreep dat de positie van nieuwe kunst mede werd bepaald door onderwijs, pers en tentoonstellingsmogelijkheden. Daarom wilde hij niet afwachten tot bestaande instituties zijn werk accepteerden, maar zelf omstandigheden creëren waarin kunstenaars konden experimenteren en hun werk konden tonen.

Een belangrijke ontwikkeling in zijn werk was de toenemende invloed van muziek. Kandinsky zag overeenkomsten tussen muzikale compositie en schilderkunst. Muziek kon emoties en lichamelijke gewaarwordingen oproepen zonder herkenbare voorwerpen af te beelden. Hij vroeg zich af of schilderkunst hetzelfde zou kunnen bereiken met kleur en vorm.

In Concerning the Spiritual in Art, dat in 1911 verscheen en in 1912 werd uitgebreid, werkte hij deze gedachte uit. Hij beschreef kleur niet uitsluitend als een visueel verschijnsel, maar als een middel dat invloed kon uitoefenen op de innerlijke beleving van de toeschouwer. Daarbij koppelde hij kleuren aan muzikale klanken en psychologische eigenschappen. Geel verbond hij bijvoorbeeld met de scherpe klank van een trompet, lichtblauw met een fluit, donkerblauw met een cello en het donkerste blauw met een orgel. Wit vergeleek hij met een stilte die nog mogelijkheden bevat, zwart met een eindpunt waarna iedere voortzetting als het begin van een andere wereld zou voelen.

Deze kleurtheorie was geen empirisch bewezen systeem. Zij moet vooral worden begrepen als een artistiek en filosofisch model waarmee Kandinsky zijn persoonlijke ervaringen en zijn visie op de werking van kleur probeerde te ordenen. Zijn beschrijvingen laten zien hoe hij kleuren als actieve krachten benaderde, maar bewijzen niet dat zij bij iedere toeschouwer dezelfde gevoelens of associaties oproepen.

Op 2 januari 1911 bezochten Kandinsky en Münter in München een concert met muziek van de componist Arnold Schoenberg. Kandinsky herkende in diens atonale muziek een ontwikkeling die overeenkwam met zijn eigen zoektocht. Schoenberg liet de traditionele tonale hiërarchie los. Kandinsky probeerde zich op vergelijkbare wijze los te maken van de noodzaak herkenbare objecten af te beelden.

Kort na het concert maakte Kandinsky Impressie III (Concert). In dit schilderij zijn nog enkele verwijzingen naar een concertzaal, een publiek en een piano te herkennen, maar de werking van het beeld wordt vooral bepaald door een groot geel vlak en een donkere, langgerekte vorm. Het schilderij is geen nauwkeurige weergave van de gebeurtenis. Het is eerder een vertaling van de ervaring van het concert in kleur, vorm en ritme.

Kandinsky schreef vervolgens aan Schoenberg dat zij volgens hem in verschillende kunstvormen een vergelijkbare weg volgden: de weg van dissonantie en een nieuwe vorm van harmonie. Schoenberg reageerde positief, waarna tussen beiden een correspondentie en artistieke uitwisseling ontstond. De relatie tussen hun werk moet niet worden opgevat als een eenvoudige oorzaak-gevolgrelatie. Schoenbergs muziek veroorzaakte Kandinsky’s abstractie niet, maar bood hem wel een muzikaal voorbeeld voor een ontwikkeling die in zijn schilderkunst al gaande was.

In 1911 ontstond de kunstenaarsgroep Der Blaue Reiter, met Kandinsky en Franz Marc als centrale figuren. De gelijknamige almanak, die in 1912 verscheen, bracht beelden, teksten en muziek uit uiteenlopende tijden, culturen en disciplines samen. Kindertekeningen, volkskunst, Afrikaanse maskers, Japanse houtsneden, muziekpartituren en werk van moderne Europese kunstenaars werden naast elkaar geplaatst. Ook Arnold Schoenberg leverde op verzoek van Kandinsky een bijdrage.

Het uitgangspunt was dat kunst niet in de eerste plaats moest worden beoordeeld op technische perfectie, stijl of herkomst, maar op haar expressieve werking. Daarmee doorbraken Kandinsky en Marc gevestigde hiërarchieën tussen professionele en niet-professionele kunst en tussen Europese kunst, volkskunst en kunst uit andere culturele tradities. Dit uitgangspunt was echter niet waardevrij. Zij plaatsten werken uit verschillende culturen in een door henzelf samengesteld kader en gebruikten die mede om hun eigen zoektocht naar een directe, geestelijke vorm van expressie te onderbouwen.

Tot Kandinsky’s bekendste werken uit deze periode behoren zijn zogenoemde Impressies, Improvisaties en Composities. Hij gebruikte deze muzikale termen bewust. Een impressie was volgens hem verbonden met een directe indruk uit de buitenwereld, een improvisatie met een spontaan ontstane innerlijke ervaring en een compositie met een langdurig voorbereid en zorgvuldig opgebouwd werk.

Compositie VII uit 1913 is daarvan een belangrijk voorbeeld. Het grote doek bestaat uit in elkaar grijpende kleurvlakken, lijnen en bewegingen. Onderzoek naar voorstudies en Kandinsky’s eigen aantekeningen laat zien dat thema’s als de zondvloed, opstanding en vernieuwing een rol speelden, al zijn deze onderwerpen in het uiteindelijke schilderij nauwelijks letterlijk herkenbaar. Het beeld vraagt daarom niet in de eerste plaats om het identificeren van afzonderlijke voorwerpen, maar om aandacht voor ritme, spanning, richting en samenhang. De reeks van tien Composities, waarvan de eerste zeven tussen 1909 en 1913 ontstonden, vormde een belangrijk onderdeel van Kandinsky’s onderzoek naar de mogelijkheden van abstracte schilderkunst.

De Eerste Wereldoorlog onderbrak zijn werkzaamheden in Duitsland. Na het uitbreken van de oorlog moest Kandinsky als Russisch staatsburger Duitsland verlaten. Hij verbleef korte tijd met Münter in Zwitserland en keerde daarna terug naar Moskou. Daar veranderde zowel zijn persoonlijke als zijn professionele situatie. Hij trouwde met Nina Andreevskaya en werd na de Russische Revolutie betrokken bij de organisatie van musea en kunstonderwijs.

Zijn opvatting van kunst sloot steeds minder aan bij die van invloedrijke constructivistische kunstenaars, die kunst sterker wilden verbinden met industrie, techniek en maatschappelijke organisatie. Kandinsky legde de nadruk op de innerlijke en psychologische werking van kunst en op de autonomie van kleur en vorm. Het verschil was daarmee niet eenvoudigweg een tegenstelling tussen maatschappelijke en niet-maatschappelijke kunst, maar tussen verschillende opvattingen over de manier waarop kunst aan verandering kon bijdragen. In 1921 verliet Kandinsky Rusland definitief.

Vanaf 1922 was Kandinsky verbonden aan het Bauhaus, eerst in Weimar en later in Dessau. Het Bauhaus bracht kunst, ontwerp, architectuur en ambacht samen. Kandinsky gaf er onder meer les in analytisch tekenen en leidde het atelier voor muurschilderingen. Zijn werk ontwikkelde zich in deze periode in een meer geometrische richting. Cirkels, driehoeken, lijnen en kleurvlakken werden de bouwstenen van zorgvuldig opgebouwde composities.

Een bekend voorbeeld is Compositie VIII uit 1923. Het werk bestaat uit cirkels, halve cirkels, driehoeken, rechte lijnen en gebogen vormen die over een lichte achtergrond zijn verdeeld. De ordening is nauwkeurig, maar niet statisch. Verschillen in richting, grootte, afstand en kleur roepen spanning en beweging op. De vormen kunnen de indruk wekken dat zij elkaar aantrekken, afstoten of doorkruisen, maar zulke interpretaties ontstaan in de waarneming van de toeschouwer en liggen niet als één vast verhaal in het schilderij besloten.

Een ander bekend werk uit de Bauhausperiode is Geel-rood-blauw uit 1925. Kandinsky combineerde daarin drie primaire kleuren met geometrische en organische vormen. Links overheersen rechte lijnen en een gele, hoekige vorm, terwijl rechts donkere, gebogen en ronde vormen domineren. Het schilderij kan worden gelezen als een onderzoek naar contrast: licht tegenover donker, hoekig tegenover rond en rust tegenover beweging.

In Enkele cirkels uit 1926 onderzocht hij hoe cirkels van verschillende grootte en kleur zich tot elkaar en tot een donkere achtergrond verhouden. Het onderwerp is niet langer een landschap, persoon of gebeurtenis, maar de relatie tussen de beeldelementen zelf. Juist deze combinatie van ordening, beweging en experiment maakt het werk uit de Bauhausperiode voor mij het meest inspirerend.

Ook Kandinsky’s theorie kreeg aan het Bauhaus een analytischer karakter. In Point and Line to Plane, oorspronkelijk gepubliceerd in 1926, onderzocht hij hoe elementaire onderdelen van een beeld betekenis en spanning konden dragen. Een punt was voor hem niet slechts een stip, maar een geconcentreerde vorm van spanning. Een punt dat in beweging kwam, werd een lijn. Verschillende krachten konden rechte, gebogen of hoekige lijnen voortbrengen. Het vlak was het begrensde gebied waarin deze elementen met elkaar in relatie traden.

Hoewel zijn beschrijvingen soms de indruk wekken dat hij algemene wetten formuleerde, moeten zij vooral worden begrepen als onderdelen van zijn persoonlijke beeldtheorie en onderwijspraktijk. Kandinsky bood geen natuurwetenschappelijke verklaring van beeldwaarneming, maar ontwikkelde een vocabulaire waarmee studenten en kunstenaars systematisch over vorm, richting, gewicht, spanning en compositie konden nadenken.

Na de sluiting van het Bauhaus onder toenemende druk van het nationaalsocialistische regime in 1933 verhuisde Kandinsky naar Frankrijk. Hij vestigde zich in Neuilly-sur-Seine, nabij Parijs, en verkreeg in 1939 de Franse nationaliteit. Zijn latere schilderijen onderscheiden zich door organische en biomorfe vormen die afwijken van de geometrische ordening van zijn Bauhausperiode.

In werken als Sky Blue uit 1940 lijken kleine, gekleurde organismen over een blauwe ruimte te zweven. De vormen kunnen doen denken aan micro-organismen, dieren of fantasiewezens, maar blijven meerduidig. De schilderijen uit deze periode tonen dat Kandinsky niet bleef vasthouden aan één vorm van abstractie. Zijn werk veranderde van expressieve kleurvelden naar geometrische composities en vervolgens naar een beeldtaal waarin organische en geometrische vormen samenkwamen. Hij bleef tot zijn overlijden op 13 december 1944 schilderen en schrijven.

Het belang van Kandinsky’s werk ligt niet alleen in zijn bijdrage aan de abstracte kunst, maar ook in de manier waarop hij kunst als een vorm van onderzoek benaderde. Hij zag schilderkunst niet uitsluitend als het weergeven van de zichtbare werkelijkheid, maar als het onderzoeken van relaties, spanningen en bewegingen. Zijn werk maakt duidelijk dat kijken meer is dan registreren. Waarneming wordt mede gevormd door verwachting, ervaring, herinnering en interpretatie. Abstracte kunst nodigt de toeschouwer uit niet onmiddellijk naar een herkenbaar verhaal te zoeken, maar eerst aandacht te geven aan wat daadwerkelijk te zien is.

Bronnen

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze site gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie gegevens worden verwerkt.

Laatste blogs

Bekijk alle blogs (1430)
Contact