Wie mij een beetje volgt, zal hebben gemerkt dat ik me de laatste tijd steeds vaker bezighoud met de vraag hoe kunst, cultuur en natuur ons kunnen helpen om anders naar complexe organisatievraagstukken te kijken. In die zoektocht kwam ik het inmiddels bijna twintig jaar oude managementprentenboek De kunst van leiderschap in tijden van verandering van Eric Koenen tegen.
Toen het boek in 2007 verscheen, bevonden organisaties zich in een periode van ingrijpende veranderingen. Globalisering, digitalisering en maatschappelijke vraagstukken, zoals klimaatverandering, zetten veel vertrouwde managementbenaderingen onder druk. Eric Koenen, bestuurder en organisatieadviseur, schreef in die context een managementprentenboek waarin kunst wordt gebruikt om anders naar leiderschap, organisaties en verandering te kijken.
In het voorwoord stelt Koenen dat creativiteit en vernieuwing zich niet laten afdwingen. Juist wanneer organisaties vooral sturen op controle, voorspelbaarheid en vaste processen, dreigt het risico dat nieuwe ideeën geen ruimte krijgen. Volgens hem vraagt leiderschap om het vermogen onzekerheid te verdragen, vragen te blijven stellen en ruimte te maken voor verbeelding. Daarbij gebruikt hij filosofische inzichten, wetenschappelijke verwijzingen en kunstwerken als uitnodiging tot eigen interpretatie. Het boek wil vooral het denken stimuleren. De lezer wordt uitgenodigd om, net als in een museum, een eigen route door het boek te kiezen en zelf betekenis te geven aan de kunstwerken en de associaties die zij oproepen.
Bijna twintig jaar later roept het boek een aantal interessante vragen op. Veel van de ontwikkelingen die Koenen beschreef zijn niet verdwenen, maar juist sterker geworden. Digitalisering is alomtegenwoordig, maatschappelijke vraagstukken zijn complexer geworden en kunstmatige intelligentie verandert opnieuw de manier waarop organisaties werken en besluiten nemen. Tegelijkertijd zijn organisaties in veel gevallen nog steeds ingericht rondom planning, beheersing, meetbaarheid en risicobeheersing. We weten inmiddels veel over het belang van psychologische veiligheid, creativiteit, samenwerking en lerend vermogen, maar de praktijk laat zien hoe moeilijk het is die inzichten duurzaam te vertalen naar het dagelijks handelen. De spanning tussen controle en vertrouwen, tussen efficiëntie en experiment, is eerder toegenomen dan verdwenen.
Waarom blijven organisaties zoeken naar zekerheid in een werkelijkheid die steeds minder voorspelbaar wordt? Waarom blijkt het zo moeilijk om inzichten over creativiteit, vertrouwen en leren daadwerkelijk onderdeel te maken van het dagelijks handelen? En waarom is het eenvoudiger nieuwe managementmodellen te ontwikkelen dan werkelijk anders te leren kijken?
Kunst heeft organisaties niet fundamenteel veranderd en biedt ook geen kant-en-klare oplossingen voor complexe vraagstukken. Wel nodigt kunst nog steeds uit om aandachtiger te kijken, beter te luisteren, nieuwe verbindingen te leggen en ruimte te maken voor meerdere perspectieven naast elkaar.
Misschien is dat wel de belangrijkste les die ik uit Koenens boek meeneem. In een tijd waarin organisaties beschikken over meer data, meer modellen en meer technologie dan ooit, ligt de grootste uitdaging niet in méér kennis of nóg betere modellen, maar in anders leren kijken. Juist daar kunnen kunst, cultuur en natuur een rol spelen: als uitnodiging om onze aannames te bevragen, nieuwe verbanden te zien en ruimte te maken voor verbeelding. Nu alleen nog even doen!