Organisaties weten vaak heel goed dát ze moeten transformeren, maar niet altijd hóé. De aanleiding is meestal maatschappelijke druk, technologische ontwikkelingen, krapte op de arbeidsmarkt of groeiende verwachtingen van klanten en burgers. Tegelijk voelt transformatie al snel groot, complex en risicovol. De afgelopen jaren is er veel geschreven over dit onderwerp, zowel in de praktijk als in de wetenschap. Geïnspireerd door een blog van het &us-team (recentelijk gedeeld door Joss Colchester), beschrijf ik hier vijf praktische tips die kunnen helpen om transformaties werkbaar te maken.
1. Denk systeemgericht, maar begin klein
Organisatietransformatie is vrijwel altijd systeemverandering. Processen, structuren, cultuur en gedrag beïnvloeden elkaar voortdurend. Wie alleen losse problemen oplost, loopt het risico symptomen te bestrijden terwijl onderliggende patronen intact blijven. Systeemdenken helpt om verbanden en oorzaken te begrijpen. Tegelijk laten onderzoek en praktijk zien dat grootschalige, allesomvattende veranderprogramma’s vaak vastlopen. Kleine experimenten maken het mogelijk om aannames te testen, te leren en bij te sturen zonder grote schade.
Een metafoor om dat systeemperspectief te begrijpen is de ijsberg uit het systeemdenken. Wat organisaties dagelijks ervaren, zoals incidenten, knelpunten of tegenvallende resultaten, is vaak slechts het zichtbare deel. Daaronder liggen terugkerende patronen, onderliggende structuren en diepere aannames over hoe het werk hoort te verlopen. Systeemdenken nodigt uit om die lagen mee te nemen in de analyse, zonder ze allemaal vooraf te willen oplossen. Juist door kleine interventies wordt zichtbaar welke patronen en aannames werkelijk invloed hebben en waar verandering het meeste effect kan hebben.

Een praktijkvoorbeeld dat ik in het verleden vaak noemde, is de agile transformatie van ING. ING koos destijds relatief snel voor het Spotify-model, een organisatiebreed nieuw model met squads en tribes. Binnen dat kader werd vervolgens veel geleerd en bijgestuurd in de dagelijkse praktijk. Juist die combinatie maakt het voorbeeld leerzaam: experimenteren werkte, maar vond plaats binnen een al vastgezette structuur. Achteraf kun je je afvragen of deze strategie van het vroeg vastleggen van rollen, governance en structuren in alle contexten de meest passende keuze was. Een meer gefaseerde invoering, met expliciete stop- en herijkmomenten op systeemniveau, zou in sommige situaties meer ruimte hebben gegeven om het organisatiemodel zelf te laten evolueren op basis van wat in de praktijk werkt.
2. Zet mensen centraal en ontwerp verandering mét hen
Verandering voltrekt zich niet op papier, maar in het dagelijks werk van medewerkers. Veel weerstand blijkt geen weerstand tegen het doel, maar tegen het gevoel dat verandering wordt opgelegd. Door medewerkers vroeg te betrekken, hun perspectief serieus te nemen en samen te ontwerpen, ontstaat eigenaarschap. Zowel praktijkervaring als onderzoek in publieke en private organisaties laat zien dat autonomie, betekenis en betrokkenheid belangrijke voorwaarden zijn voor succesvolle transformatie.
Een manier om die menselijke kant van transformatie te duiden, is de zogenoemde Two Loops Theory of Change van het Berkana Institute. Deze metafoor beschrijft verandering als een overgang tussen twee systemen: een dominant systeem dat geleidelijk zijn werking verliest en een nieuw, opkomend systeem dat zich eerst aan de randen ontwikkelt. In de tussenfase is ruimte nodig voor wat Berkana ‘hospice work’ noemt: het erkennen en waarderen van wat het oude systeem heeft gebracht, terwijl tegelijkertijd ruimte wordt gemaakt voor het nieuwe. Deze benadering helpt om empathie te ontwikkelen voor mensen die afscheid moeten nemen van vertrouwde werkwijzen, zonder de blik op vernieuwing te verliezen. Verandering wordt zo niet alleen een technische opgave, maar ook een menselijk proces van loslaten en opnieuw verbinden.

Een illustratief voorbeeld komt uit de publieke sector. Tijdens de COVID-crisis ontwikkelde de Britse Belastingdienst (HMRC) in korte tijd nieuwe digitale diensten door intensieve samenwerking tussen beleidsmakers, IT-specialisten en uitvoerende medewerkers. Doordat mensen vanuit verschillende rollen samen verantwoordelijk waren voor het resultaat, ontstonden snelheid en draagvlak, ondanks de hoge druk. Zie ook het onderzoek van McKinsey dat laat zien dat succesvolle transformaties sterk samenhangen met betrokkenheid en autonomie van medewerkers.
3. Voorkom analyseparalyse en leer door te doen
Plannen en analyses zijn belangrijk, maar hebben een grens. Organisaties bestaan uit mensen en hun gedrag laat zich niet volledig voorspellen. Veel inzichten ontstaan pas wanneer nieuwe werkwijzen daadwerkelijk worden uitgeprobeerd. Door transformatie te benaderen als een reeks gerichte experimenten, wordt leren onderdeel van het werk in plaats van een theoretische exercitie. Experimenten maken aannames zichtbaar en laten zien wat in de praktijk werkt en waar moet worden bijgestuurd.
Een actiegerichte aanpak helpt om risico’s te verkleinen. In plaats van grootschalige veranderingen door te voeren op basis van veronderstellingen, kunnen organisaties in kleine stappen ervaren wat de effecten zijn. Dat vraagt wel om ruimte om te leren: niet elk experiment levert direct succes op, maar elk experiment kan waardevolle inzichten opleveren. Door regelmatig te reflecteren op wat werkt en wat niet, ontstaat voortgang zonder de illusie van volledige voorspelbaarheid.
4. Meet passend bij de fase van verandering
Meten is nodig om richting te houden en verantwoording af te leggen, maar te vroeg of te smal meten kan een vertekend beeld geven. Verandering in cultuur, samenwerking of gedrag laat zich niet direct zien in harde resultaten. Het onderscheid tussen vroege signalen en uiteindelijke uitkomsten is daarom belangrijk. Leading indicators geven inzicht in voortgang, terwijl lagging indicators vaak pas later veranderen.
Het klassieke veranderkundige werk van John Kotter sluit hier nauw op aan. In zijn analyse van mislukte verandertrajecten laat hij zien dat organisaties verandering vaak verkeerd beoordelen doordat zij te vroeg conclusies trekken op basis van zichtbare resultaten. Vroege successen zijn volgens Kotter essentieel om energie en geloofwaardigheid op te bouwen, maar zeggen nog weinig over de vraag of nieuw gedrag daadwerkelijk is verankerd. Diepere veranderingen, zoals cultuur en samenwerking, worden vaak pas over meerdere jaren zichtbaar. Meten krijgt daarmee een temporele dimensie: wat in een vroege fase logisch lijkt om te volgen, is iets anders dan wat op de langere termijn werkelijk succes voorspelt.
5. Verwacht het onverwachte en blijf wendbaar
Geen enkele transformatie verloopt volgens plan. Externe gebeurtenissen, interne verschuivingen of nieuwe inzichten vragen om aanpassing. Wendbaarheid betekent dat de richting helder blijft, maar dat de route kan veranderen. Onderzoek laat zien dat organisaties die gewend zijn te leren en te experimenteren, veerkrachtiger zijn bij onverwachte omstandigheden.
Tijdens de COVID-pandemie bleken organisaties met een al aanwezige agile manier van werken sneller te kunnen schakelen, bijvoorbeeld bij het massaal faciliteren van thuiswerken of het versneld digitaliseren van processen. Doordat teams gewend waren om in korte cycli te werken en bij te sturen, konden zij omgaan met onzekerheid zonder stil te vallen.
Het eerder genoemde onderzoek van McKinsey naar transformatie in een context van voortdurende onzekerheid wijst erop dat wendbaarheid vooral een gevolg is van hoe organisaties zijn ingericht. Organisaties die beter omgaan met onverwachte gebeurtenissen blijken te werken met korte leer- en besluitcycli, duidelijke prioriteiten en een vast ritme van afstemming. Wendbaarheid ontstaat daarmee niet door voortdurend van koers te wisselen, maar door het vermogen om signalen snel te duiden en aanpassingen consequent door te voeren. Juist die combinatie van richting en aanpassingsvermogen maakt organisaties veerkrachtiger op de lange termijn.
Conclusies, aanbevelingen en reflecties
De belangrijkste conclusie is dat organisatietransformatie minder gebaat is bij grote beloften en meer bij consistente keuzes in gedrag en inrichting. Verandering wordt werkbaar wanneer organisaties haar benaderen als een leerproces, met aandacht voor het systeem en de mensen daarin. Een belangrijke aanbeveling is om expliciet te maken wie beslissingsbevoegd is bij experimenten, wanneer wordt opgeschaald of gestopt en hoe leren wordt geborgd. Daarnaast helpt het om naast cijfers ook verhalen en ervaringen serieus te nemen als bron van inzicht. Tot slot vraagt transformatie om reflectie: welke aannames hanteren we over mensen, prestaties en controle, en zijn die nog passend bij de toekomst die we nastreven?
3 reacties
Gebruik je nou plaatjes zonder bronvermelding?
Het eerste plaatje heb ik zelf gemaakt, de ander twee komen uit de blog van &us waar ik naar verwijs. Of bedoel je iets anders?
Zie ook mijn LinkedIn-bericht:
https://www.linkedin.com/posts/mderksen_vijf-praktische-lessen-voor-organisatietransformatie-activity-7419322128497283073-nw_c