Auke Hulst stelt in zijn essay ‘In het tijdperk van AI moeten we kunst weer als heilige waanzin durven zien’ vandaag in NRC een belangrijke vraag: wat is kunst eigenlijk, en waarom zouden we ervoor vechten in een tijd waarin AI steeds meer beelden, muziek en teksten produceert? Goed dat hij die vraag stelt. Zijn antwoord is dat kunst de weerslag is van een innerlijk leven en dat een machine zo’n innerlijk leven niet heeft. Daar kan ik voor een groot deel in meegaan.
Toch denk ik dat de grootste uitdaging ergens anders ligt. Niet in de vraag of AI wel of geen kunst kan maken, maar in de vraag of wij blijven herkennen wanneer een mens iets te zeggen heeft dat ertoe doet. Hoe dat tot stand komt, met of zonder machine, is voor mij minder relevant. Opmerkelijk genoeg vond ik het interessantste inzicht in Hulsts essay niet bij de kunstfilosofen die hij aanhaalt, maar bij zijn kapper.
De geschiedenis leert ons voorzichtig te zijn met grote uitspraken over nieuwe technieken. Toen de fotografie werd uitgevonden, vonden veel critici dat een camera onmogelijk kunst kon voortbrengen. Een machine maakte immers het beeld. Toch kregen fotografen uiteindelijk een plaats in de kunstwereld. Het bleef de mens achter de camera die keuzes maakte: over het moment, het licht, het standpunt en het verhaal. De fotografie verving de schilderkunst niet, maar dwong kunstenaars opnieuw na te denken over wat hun eigen kunst bijzonder maakte. Misschien gebeurt nu iets vergelijkbaars. Niet de machine bepaalt uiteindelijk wat kunst is, maar de manier waarop mensen haar gebruiken.
Misschien beoordelen we generatieve AI nog te veel vanuit een negentiende-eeuws idee van kunstenaarschap: alsof kunst alleen ontstaat doordat één maker alles zelf voortbrengt. Fotografie, film en remixcultuur hebben dat beeld al eerder opgerekt. De echte vraag is daarom wat menselijke creativiteit eigenlijk inhoudt. Schuilt die alleen in het maken van een werk, of ook in het kiezen, verwerpen, combineren en betekenis geven?
Daarom wil ik Hulsts beschrijving van het werken met AI nuanceren. Hij schrijft over een prompt als een bestelling waarop de machine vervolgens levert. In de praktijk is het vaak veel minder eenvoudig. Wie serieus met generatieve AI werkt, probeert voortdurend, past aan, gooit weg en begint opnieuw. Uiteindelijk beslist een mens wat blijft staan en wat verdwijnt. Dat vraagt smaak, geduld en zelfkritiek. De machine doet veel, maar het oordeel blijft voorlopig bij de mens.
Het overtuigendste punt van Hulsts essay vind ik niet dat AI geen ziel heeft, maar dat een machine niets meemaakt. Zij heeft nooit in de regen gestaan, nooit iemand verloren en nooit de trilling van een bas in haar buik gevoeld. AI kan zulke ervaringen alleen nabootsen met materiaal dat mensen hebben gemaakt. Wie niets meemaakt, heeft ook niets te zeggen, hooguit iets na te zeggen. Eens dus.
Toch ontstaat kunst niet alleen bij de maker. Zij ontstaat ook bij degene die kijkt, luistert of leest. Hulst laat dat zelf zien wanneer hij beschrijft hoe twee mannen elkaar na een concert van Hiromi in de armen vallen. Zij kennen haar persoonlijke geschiedenis niet, maar haar muziek raakt hen wel. Dáár krijgt kunst betekenis: in de ontmoeting tussen maker, werk en publiek.
Dat betekent ook dat een kunstenaar zich niet hoeft af te keren van zijn publiek. Rekening houden met mensen die je werk bekijken of beluisteren is iets anders dan je volledig laten leiden door de markt. Rembrandt werkte in opdracht. Mozart componeerde voor betalende opdrachtgevers. Dat maakte hun werk niet minder tot kunst. Het verschil zit niet in het hebben van een publiek, maar in de vraag of je daarbij je eigen stem behoudt.
Mijn grootste zorg ligt daarom ergens anders en komt in Hulsts essay slechts terloops voorbij. Zijn kapper vindt de onbewerkte stem van nota bene de queen of soul Aretha Franklin inmiddels ‘vals’ klinken, omdat hij gewend is geraakt aan gladgestreken computerstemmen. Dáár zie ik het echte gevaar. Niet dat AI kunst gaat maken, maar dat onze smaak zich langzaam aanpast aan het gemiddelde van alles wat er al bestaat.
Dat proces begon trouwens al lang vóór AI. Streamingdiensten en sociale media belonen al jaren wat herkenbaar is, snel aandacht trekt en weinig schuurt. Popmuziek werd daardoor stap voor stap eenvormiger. AI heeft die ontwikkeling niet veroorzaakt, maar versnelt haar wel. Technologie verandert niet alleen wat we maken, maar ook wat we leren waarderen. Een cultuur die alleen het herkenbare beloont, verleert het vreemde te verdragen. Juist uit dat vreemde ontstaat vaak iets nieuws.
De vraag is uiteindelijk niet of een machine ooit kunst kan maken. De belangrijkere vraag is of wij blijven herkennen wanneer een mens iets te zeggen heeft dat ons verrast, ontroert of aan het denken zet.
Hulst eindigt zijn essay met twijfel over zijn eigen werk: ‘Ik hoop van niet, en vrees van wel.’ Gek genoeg geeft juist die twijfel mij vertrouwen. Een machine kan veel nadoen, maar zet zelf niets op het spel. Wij kunnen wél iets verliezen: het vermogen om echt te kijken, te luisteren en open te blijven staan voor wat we nog niet kennen. Dáár begint voor mij de echte zorg over AI.
Toen ik twee jaar geleden schreef over de vraag of AI het einde van de creativiteit betekende, lag mijn focus nog op wat AI zou kunnen. Inmiddels denk ik dat de belangrijkere vraag is wat wij dreigen te verliezen: niet onze creativiteit, maar ons vermogen haar nog te herkennen. Misschien is dat ook de belangrijkste reden om kunst te blijven verdedigen.
1 reactie
AI als creatief gereedschap: Rick Rubin over creativiteit, technologie en The Way of Code
Op advies van Frank Meeuwsen heb ik vanmorgen de podcast The a16z show met Rick Rubin geluisterd.
In deze aflevering van de a16z podcast spreekt muziekproducent Rick Rubin met Marc Andreessen, Ben Horowitz, Anjney Midha en Erik Torenberg over de rol van kunstmatige intelligentie (AI) in creatieve processen. Aanleiding is Rubins boek The Way of Code, waarin hij de ongeveer 3.000 jaar oude Tao Te Ching van Lao Tzu opnieuw interpreteert voor het tijdperk van AI en zogenoemde vibe coding. Het gesprek verbindt thema’s als kunst, ondernemerschap, filosofie en technologie en onderzoekt welke rol mensen blijven spelen nu AI steeds beter creatieve taken kan ondersteunen.
De centrale gedachte is dat AI vooral moet worden gezien als een hulpmiddel en niet als een vervanging van menselijke creativiteit. Volgens Rubin onderscheidt een maker zich niet door het gebruik van AI, maar door zijn of haar smaak, perspectief en vermogen om richting te geven aan het creatieve proces. AI kan ideeën sneller uitwerken en veel varianten genereren, maar beschikt volgens de sprekers niet over een eigen standpunt of persoonlijke ervaring. Rubin vergelijkt AI daarom met bestaande creatieve instrumenten, zoals een gitaar of een sampler: de kwaliteit van het resultaat hangt uiteindelijk af van degene die het gereedschap gebruikt.
Een terugkerend onderwerp is vibe coding, waarbij mensen zonder uitgebreide programmeerkennis software kunnen ontwikkelen met behulp van AI. De deelnemers vergelijken deze ontwikkeling met de opkomst van punk en hiphop, die muziek toegankelijk maakten voor mensen zonder klassieke opleiding. Volgens hen verschuift de nadruk daardoor van technische vaardigheid naar ideeën, nieuwsgierigheid en creatief inzicht. Tegelijk merken zij op dat ervaring en vakmanschap belangrijk blijven. AI verlaagt volgens hen de toegangsdrempel, maar vergroot ook de mogelijkheden van ervaren makers doordat zij hun expertise gemakkelijker kunnen toepassen in nieuwe vakgebieden.
Het gesprek gaat daarnaast in op de aard van creativiteit. Rubin stelt dat vrijwel alle kunst voortbouwt op bestaand werk en dat remixen een normaal onderdeel is van creatieve ontwikkeling. Nieuwe ideeën ontstaan volgens hem vaak door experimenteren, itereren en onverwachte ontdekkingen, niet vanuit een volledig vooraf uitgedacht plan. Als voorbeeld noemt hij de opnames met Johnny Cash. Oorspronkelijk was het de bedoeling uitgebreide studio-opnames te maken met professionele muzikanten, maar uiteindelijk bleken de eenvoudige akoestische demo’s die Cash in Rubins woonkamer had opgenomen het meest overtuigend. Volgens Rubin liet dit zien dat het creatieve proces soms duidelijk maakt dat de eerste, meest directe vorm sterker is dan een complexere uitwerking.
Ook de relatie tussen creativiteit en ondernemerschap komt uitgebreid aan bod. Andreessen en Horowitz trekken parallellen tussen kunstenaars en ondernemers. Zij stellen dat succesvolle oprichters, net als kunstenaars, een duidelijke eigen visie nodig hebben en zich niet uitsluitend moeten aanpassen aan de verwachtingen van investeerders of de markt. Producten worden volgens hen beter wanneer de kern van de oorspronkelijke overtuiging behouden blijft, terwijl andere onderdelen op basis van feedback kunnen worden aangepast. Als voorbeeld noemen zij Databricks, dat volgens hen vasthield aan een cloudstrategie ondanks druk vanuit de markt om ook lokale installaties aan te bieden.
Een ander onderwerp is de vraag hoe AI zich in de toekomst zal ontwikkelen. De deelnemers bespreken onder meer AlphaGo, dat een wereldkampioen Go versloeg met zetten die menselijke spelers ongebruikelijk vonden. Volgens Rubin laat dit zien dat AI juist interessant wordt wanneer zij oplossingen vindt die afwijken van menselijke gewoonten. Tegelijk uiten verschillende sprekers zorgen dat huidige AI-systemen vooral menselijke kennis reproduceren, omdat zij grotendeels zijn getraind op menselijke taal en vervolgens verder zijn afgestemd met menselijke feedback.
Naast technologie bevat het gesprek ook een filosofische laag. Rubin benadrukt dat kennis voortdurend verandert en verwijst naar voorbeelden uit de geneeskunde en wetenschap om duidelijk te maken dat overtuigingen in de loop van de tijd kunnen worden herzien. Daarbij komt ook het boek The Half-Life of Facts ter sprake, waarin wordt beschreven hoe wetenschappelijke kennis geleidelijk veroudert. Vanuit dat perspectief pleit Rubin voor een open houding, nieuwsgierigheid en de bereidheid bestaande aannames steeds opnieuw te onderzoeken.
De deelnemers bespreken daarnaast de invloed van internet en AI op cultuur. Enerzijds maken digitale technologieën het eenvoudiger om gelijkgestemden over de hele wereld te vinden en kennis te delen. Anderzijds bestaat volgens hen het risico dat culturele verschillen afnemen doordat steeds meer mensen dezelfde informatie, media en technologie gebruiken. Rubin benadrukt daarom het belang van zelfreflectie en het ontwikkelen van een eigen smaak, zodat makers niet uitsluitend de voorkeuren van anderen volgen.
Het gesprek eindigt met een reflectie op onderwijs en creativiteit. Naarmate AI meer technische taken kan uitvoeren, verwachten de deelnemers dat eigenschappen als nieuwsgierigheid, smaak, zelfkennis en het vermogen om goede vragen te stellen belangrijker worden dan het uitsluitend beheersen van technische vaardigheden. Volgens Rubin komt creatieve kwaliteit uiteindelijk voort uit persoonlijke betrokkenheid en een authentiek perspectief, terwijl AI vooral een instrument blijft dat het creatieve proces kan ondersteunen en versnellen.