De vraag hoe organisaties effectief kunnen worden aangestuurd in omstandigheden van onzekerheid en dynamiek is al meer dan twee eeuwen oud. In militaire, bestuurlijke en organisatorische contexten keert steeds dezelfde spanning terug: de behoefte aan centrale richting enerzijds en de noodzaak van decentrale besluitvorming anderzijds. Historische analyses laten zien dat deze spanning niet kan worden opgelost met meer regels of gedetailleerde plannen, maar met een doordachte verdeling van verantwoordelijkheid.
In zijn boek Auftragstaktik en het Pruisische/Duitse leger 1850–1945 onderzoekt Jaap Jan Brouwer hoe het Pruisische en later Duitse leger erin slaagde over een lange periode een relatief hoge militaire effectiviteit te bereiken, vaak onder omstandigheden waarin het strategisch of materieel in het nadeel was. Centraal in zijn analyse staat de these dat deze effectiviteit niet primair kan worden verklaard door technologie, aantallen of ideologie, maar door de wijze waarop het leger was georganiseerd en aangestuurd. Het kernbegrip dat Brouwer hiervoor gebruikt is Auftragstaktik.
Volgens Brouwer leidde de nederlaag van Pruisen tegen Napoleon in 1806 tot een fundamentele herbezinning op de aard van oorlogvoering en op de beperkingen van centrale bevelvoering. Hervormers als Scharnhorst en Gneisenau, later theoretisch onderbouwd door Clausewitz, kwamen tot het inzicht dat oorlog zich niet laat plannen als een lineair en voorspelbaar proces. Onzekerheid, frictie en toeval zijn structurele kenmerken van het slagveld. Pogingen om vanuit de top gedetailleerde controle uit te oefenen lopen onder dergelijke omstandigheden het risico te falen of te leiden tot verlamming in plaats van tot effectief handelen.
Tegen deze achtergrond ontwikkelde zich in de loop van de negentiende eeuw Auftragstaktik als leidend besturingsconcept. In plaats van gedetailleerde bevelen stond het formuleren van een opdracht met een helder doel en een expliciete intentie centraal. Lagere commandanten kregen binnen duidelijke kaders ruimte om zelfstandig beslissingen te nemen over de uitvoering, aangepast aan de situatie ter plaatse. Deze ruimte was nadrukkelijk geen vrijblijvendheid, maar ingebed in doctrine, opleiding, selectie en gedeelde professionele normen. Besluitvorming werd zo georganiseerd op het niveau waar waarnemen en handelen het dichtst bij elkaar lagen, waardoor de tijd tussen inzicht en actie, de zogenoemde lag time, werd verkleind.
Zonder dit expliciet te vertalen naar hedendaagse organisaties maakt Brouwer aannemelijk dat de mechanismen die hij beschrijft niet uitsluitend militair van aard zijn. De scheiding tussen wat en hoe, besluitvorming dicht bij de praktijk, het tijdelijk combineren van verschillende capaciteiten in ad-hocverbanden zoals Kampfgruppen, en leren via ervaring en feedback hangen samen met werken onder omstandigheden van onzekerheid, tijdsdruk en onvolledige informatie. In die zin biedt zijn analyse inzicht in besturing onder complexiteit, los van de specifieke militaire context.
Deze historische inzichten vonden later hun weerslag in civiele organisaties. In de jaren tachtig beschreven Peters en Waterman succesvolle ondernemingen als tegelijk strak en los: strak op kernwaarden, doelen en financiële discipline, en los in de manier waarop onderdelen hun werk organiseerden. Zij beschreven daarmee een vergelijkbaar patroon. Richting en ruimte functioneren niet als tegenpolen, maar als wederzijds versterkende voorwaarden voor effectief handelen.
In deze traditie is in de afgelopen decennia het besturingsprincipe dat bekendstaat als Tight–Loose–Tight (TLT) verder uitgewerkt. Het concept werd in de jaren rond 2009 expliciet geformuleerd door Rune Ulvnes, werkzaam in Scandinavische organisaties die experimenteerden met agile en zelforganiserende werkvormen. Managers zochten houvast in omgevingen waarin klassieke hiërarchische sturing onvoldoende werkte, maar volledige autonomie leidde tot versnippering en gebrek aan samenhang. Ulvnes vatte zijn observaties samen in een eenvoudig maar herkenbaar patroon van sturing in drie fasen.
Tight–Loose–Tight beschrijft besturing als een cyclisch proces. In een eerste fase wordt richting gegeven door doelen, bedoeling, waarden en randvoorwaarden expliciet te maken. In de tweede fase wordt bewust ruimte geboden aan professionals en teams om binnen die kaders zelf invulling te geven aan de uitvoering, passend bij hun context en expertise. In de derde fase wordt de sturing opnieuw aangescherpt door systematische reflectie en verantwoording, waarbij resultaten en leerervaringen worden benut voor bijsturing van zowel uitvoering als richting.
Een belangrijk kenmerk van dit besturingsprincipe is dat het een manier van kijken naar en omgaan met sturing. Het verschilt daarmee van methoden als OGSM, OKR of de Balanced Scorecard, die vooral ondersteunen bij het formuleren en monitoren van doelen. Tight–Loose–Tight richt zich op het gedrag en het samenspel tussen leiding en uitvoering tijdens het werk. Daarmee helpt het een veelvoorkomend patroon te vermijden waarin organisaties beperkt richting geven aan de voorkant, tijdens de uitvoering sterk op processen sturen en achteraf nauwelijks reflecteren.
Het principe werkt alleen wanneer de randvoorwaarden op orde zijn. Professioneel vakmanschap, gedeelde normen, expliciete kaders en consequente evaluatie zijn noodzakelijke voorwaarden. Aanbevolen wordt expliciet te maken welke doelen en waarden leidend zijn, welke beslissingen laag in de organisatie genomen mogen worden en hoe leren en verantwoorden structureel zijn georganiseerd. Daarnaast vraagt dit besturingsprincipe om realisme: niet elke context is geschikt voor dezelfde mate van ruimte. De historische lessen laten zien dat effectieve besturing geen kwestie is van loslaten of controleren, maar van het bewust organiseren van verantwoordelijkheid op het juiste niveau.
Met dank aan inspiratie door Gerhard van der Bijl, Michiel Schoemaker en Jaap Jan Brouwer.
Bronnen
- Brouwer, J. J. (2017). Auftragstaktik en het Pruisische/Duitse leger 1850–1945. Uitgeverij Aspekt.
- Peters, T. J., & Waterman, R. H. (1982). In search of excellence. Harper & Row.
- Ulvnes, R. (2024). The Basics of Tight Loose Tight. TLT Institute.
5 reacties
Klopt! Het Pruissische leger paste als eerste het basis inzicht “het gaat beter als je meer loslaat” van de complexiteitskunde toe in Europa.
Vaak wordt gedacht overigens dat dit moet leiden tot keuzes als centraal – decentraal of topdown – bottom up.
Niets is minder waar. De triangulatie modellen van Robert Keidel hebben het over control – coöperatie – autonomie. En/en/en dus.
Hetzelfde zien we terug in het werk van Stafford Beer. Zijn Viable Systems Model gaat over geheel – samen – zelfstandig. Ook en/en/en dus.
Mooie aanvulling Harold, dank!
Zie ook mijn LinkedIn-bericht:
https://www.linkedin.com/posts/mderksen_besturen-in-complexe-en-onzekere-tijden-activity-7418566529283346432-KFnn
In de reacties verwijst Harold van Garderen naar het boek ‘Seeing Organizational Patterns: A New Theory and Language of Organizational Design’ (1995) van Robert Keidel.
Organisaties begrijpen door patronen te zien
In Seeing Organizational Patterns (1995) laat Robert W. Keidel zien dat veel organisatieproblemen ontstaan doordat mensen denken vanuit één dominante invalshoek, terwijl organisaties in werkelijkheid worden gevormd door een samenhang van meerdere krachten. Volgens Keidel zijn deze krachten het best te begrijpen als de driehoek autonomie (autonomy), controle (control) en samenwerking (cooperation).
Autonomie verwijst naar de ruimte voor lokale keuzes, initiatief en differentiatie. Controle staat voor standaardisatie, voorspelbaarheid en hiërarchische coördinatie. Samenwerking gaat over wederzijdse afhankelijkheid, afstemming en gezamenlijke coördinatie, zowel binnen als tussen teams en organisatieonderdelen. Deze drie dimensies zijn volgens Keidel niet tot elkaar te reduceren en geen enkele organisatie kan er één volledig negeren. Problemen ontstaan wanneer ontwerp en sturing te sterk leunen op één of twee van deze dimensies. Dit vergroot de kans op herkenbare faalpatronen, zoals verstarring door overmatige controle, versnippering door te veel autonomie of traagheid en hogere kosten door overmatige samenwerking.
Het boek introduceert daarom het idee van triangulatie: het bewust bekijken van organisatievraagstukken vanuit alle drie de perspectieven. Dit is een denkwijze die helpt om spanningen zichtbaar te maken en keuzes expliciet te bespreken. Keidel benadrukt dat goed organiseren niet draait om het vinden van een perfecte balans, maar om het maken van bewuste trade-offs. Elke keuze voor meer autonomie, controle of samenwerking heeft gevolgen die moeten worden erkend en gedragen.
Een belangrijk onderdeel van het boek is de beschrijving van terugkerende organisatiepatronen. Keidel laat zien dat strategie, structuur en systemen vaak dezelfde onderliggende voorkeur laten zien. Een organisatie die autonomie centraal stelt, ziet dit terug in decentrale besluitvorming, flexibele rollen en maatwerkprocessen. Een organisatie die controle vooropzet, kiest eerder voor hiërarchie, vaste procedures en uniforme systemen. Door deze patronen te herkennen kunnen leiders en adviseurs consistenter en explicieter ontwerpen en beter begrijpen waarom bepaalde veranderingen wel of niet werken.
Keidels model is vooral bedoeld als een eenvoudig en algemeen kader dat helpt bij analyse en gesprek, niet als een nauwkeurige theorie die exacte uitkomsten voorspelt. De blijvende waarde van het boek ligt in de verschuiving van denken in losse oplossingen naar denken in samenhangende patronen. Door eerst te begrijpen hoe autonomie, controle en samenwerking zich tot elkaar verhouden, ontstaat ruimte voor beter onderbouwde keuzes in organisatieontwerp en verandering.
Keidel, R. W. (1995). Seeing organizational patterns: A new theory and language of organizational design. San Francisco, CA: Berrett-Koehler.
Organiseren voor levensvatbaarheid
In The Fractal Organization (2008) laat Patrick Hoverstadt zien dat veel organisaties vastlopen omdat hun inrichting niet aansluit op de complexiteit van hun omgeving. Klassieke hiërarchische modellen, gebaseerd op centrale sturing en lineaire plannen, werken redelijk in stabiele situaties maar raken overbelast zodra markten, technologie en verwachtingen snel veranderen. Extra controle, targets of reorganisaties lossen dit zelden op en versterken vaak juist problemen zoals micromanagement en trage besluitvorming.
Als alternatief introduceerde Hoverstadt destijds het Viable System Model (VSM), een cybernetisch organisatiemodel dat is ontwikkeld door Stafford Beer. Dit model beschouwt organisaties als levende systemen die levensvatbaar moeten zijn: in staat om zich voortdurend aan te passen aan veranderingen zonder de samenhang van het geheel te verliezen. Een belangrijk theoretisch fundament hierbij is Ashby’s Law of Requisite Variety. Deze wet stelt dat een organisatie alleen een complexe omgeving kan hanteren wanneer zij zelf over voldoende variatie en beslisruimte beschikt. Met andere woorden, complexiteit kan niet worden weggestuurd door centralisatie maar vraagt om gedistribueerde besluitvorming.
Een kernidee in het boek is de fractale organisatie. Dat betekent dat dezelfde basisstructuur zich herhaalt op elk niveau, van team tot directie. Autonomie en samenhang zijn daarbij geen tegenpolen maar ontwerpprincipes die elkaar versterken wanneer zij bewust en consistent worden ingericht. Veel bekende organisatieproblemen, zoals voortdurende centralisatie en decentralisatie, schijnveranderingen en overmatige controle, zijn volgens Hoverstadt voorspelbare gevolgen van een ontwerp dat deze systemische principes negeert.
Het Viable System Model onderscheidt vijf noodzakelijke functies die in elke levensvatbare organisatie aanwezig moeten zijn. De operationele functie zorgt voor het dagelijkse werk en de levering van waarde. De coördinatiefunctie voorkomt dat onderdelen elkaar verstoren en regelt onderlinge afstemming. De managementfunctie bewaakt prestaties en middelen en zorgt voor samenhang in het hier en nu. De ontwikkelfunctie richt zich op de buitenwereld en de toekomst, zoals strategie, innovatie en het herkennen van risico’s. De beleids- of identiteitsfunctie bewaakt de koers, legitimiteit en samenhang van het geheel.
Samen vormen deze functies een samenhangend kader om organisaties zo te ontwerpen dat zij niet alleen efficiënt functioneren, maar ook duurzaam en aanpasbaar blijven in een complexe en veranderende omgeving.
Hoverstadt, P. (2008). The fractal organization: Creating sustainable organizations with the viable system model. Chichester, UK: John Wiley & Sons.