In 1992 onderzocht Wanda Orlikowski, tegenwoordig hoogleraar informatietechnologie en organisatiewetenschappen aan de MIT Sloan School of Management, de invoering van Lotus Notes bij een groot adviesbureau. De directie verwachtte dat medewerkers dankzij deze nieuwe technologie beter zouden samenwerken en meer kennis zouden delen. Maar in de eerste periode kwam daar weinig van terecht. Medewerkers gebruikten het systeem vooral om hun bestaande werk efficiënter te doen. Ze herkenden de mogelijkheden voor samenwerking nauwelijks en werden bovendien vooral beloond voor hun individuele prestaties. Kennis delen kon zelfs ten koste gaan van hun eigen positie. De technologie veranderde, maar de bestaande manier van werken bleef grotendeels intact.
Ruim dertig jaar later is dit nog altijd een herkenbaar vraagstuk bij digitale transformatie. Nieuwe technologie leidt niet vanzelf tot nieuwe manieren van werken. In haar latere onderzoek naar sociomaterialiteit laat Orlikowski zien waarom.
Volgens Orlikowski kun je technologie en menselijk handelen niet los van elkaar begrijpen. Het gaat daarbij om meer dan wederzijdse beïnvloeding. Mensen en technologie vormen samen de dagelijkse praktijk waarin organisaties functioneren en veranderen. Orlikowski noemt dit sociomaterialiteit: het sociale en het materiële zijn onlosmakelijk met elkaar verweven (constitutive entanglement). Technologie krijgt betekenis door de manier waarop mensen ermee werken, terwijl die technologie tegelijkertijd mede bepaalt hoe dat werk wordt uitgevoerd.
Organisaties veranderen daardoor niet alleen door plannen en besluiten, maar ook door wat mensen dagelijks doen met technologie. In deze sociomateriële praktijken ontstaan nieuwe werkwijzen, verhoudingen en vormen van samenwerking, soms met onverwachte gevolgen.
Stel dat een politieagent tijdens de surveillance een melding krijgt via de meldkamer. Op het scherm in de dienstauto verschijnt informatie over het incident, de locatie en eventuele eerdere meldingen. Die informatie beïnvloedt hoe de agent de situatie inschat en welke actie hij onderneemt. Tegelijk bepalen zijn ervaring, professionele oordeel en de omstandigheden ter plaatse hoe hij de informatie gebruikt. Wat de agent vervolgens terugmeldt, beïnvloedt weer welke informatie beschikbaar komt voor collega’s. De technologie ondersteunt hier niet simpelweg het politiewerk, maar maakt deel uit van de manier waarop het werk wordt uitgevoerd en beslissingen tot stand komen. Menselijk handelen en technologie vormen samen de politiepraktijk.
In later onderzoek laten Orlikowski en Susan Scott zien dat digitalisering ook onbedoelde veranderingen met zich mee kan brengen. Ze noemen dit de digital undertow: een onderstroom van veranderingen die vaak pas later en op andere plekken zichtbaar wordt. Stel dat de politie steeds meer digitale risicobeoordelingen gebruikt om te bepalen waar agenten worden ingezet. Dan kan ongemerkt veranderen hoe zwaar het professionele oordeel van agenten nog meeweegt en wie uiteindelijk de prioriteiten bepaalt. De auteurs noemen dit institutional displacement: bestaande regels, normen en gezagsverhoudingen kunnen hun betekenis of invloed verliezen. Zo kan digitalisering uiteindelijk ook veranderen hoe organisaties werken, wie beslissingen neemt en wat als goed en verantwoord handelen wordt beschouwd.
Dit perspectief is ook relevant voor AI. Met het begrip AI-in-the-making benadrukken Scott en Orlikowski dat AI geen op zichzelf staande technologie is, maar in de praktijk vorm krijgt door het samenspel van mensen, technologie en organisaties.
Het gaat dus niet alleen om nieuwe technologie, maar vooral om wat er daardoor verandert in het dagelijkse werk. In het politievoorbeeld krijgt de agent sneller en meer informatie. Maar wat betekent dat voor zijn manier van werken? Gaat hij meer vertrouwen op wat het systeem aangeeft, of blijft zijn eigen waarneming leidend? Wie bepaalt uiteindelijk welke melding voorrang krijgt: de agent, de meldkamer of het systeem? En wie is verantwoordelijk als het misgaat? De verandering zit niet alleen in het scherm in de politieauto, maar vooral in de manier waarop agenten hun werk doen, beslissingen nemen en samenwerken. Als daardoor bestaande werkwijzen, verantwoordelijkheden en professionele verhoudingen ingrijpend veranderen, kan er sprake zijn van digitale transformatie.
Die transformatie kun je reactief benaderen, door achteraf te reageren op veranderingen die door technologie ontstaan, of proactief, door bewust richting te geven aan de gewenste manier van werken. Dat laatste vraagt om het samen met professionals ontwikkelen van nieuwe werkwijzen, het onderzoeken van wat er in de praktijk gebeurt en het waar nodig aanpassen van technologie, werkafspraken en organisatorische randvoorwaarden. Ook dan blijft de uitkomst nooit volledig voorspelbaar.
Bronnen
- Orlikowski, W. J. (1992). Learning from Notes: Organizational issues in groupware implementation. In Proceedings of the 1992 ACM Conference on Computer-Supported Cooperative Work (pp. 362–369). Association for Computing Machinery.
- Orlikowski, W. J. (2007). Sociomaterial practices: Exploring technology at work. Organization Studies, 28(9), 1435–1448.
- Orlikowski, W. J., & Scott, S. V. (2023). The digital undertow and institutional displacement: A sociomaterial approach. Organization Theory, 4(2), 1–16.
- Scott, S. V., & Orlikowski, W. J. (2025). Exploring AI-in-the-making: Sociomaterial genealogies of AI performativity. Information and Organization, 35(1), Article 100558.
1 reactie
Nog een goed voorbeeld van sociomaterialiteit is de opkomst van AI bij een organisatie als de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) dat ik eerder beschreef. AI kan medewerkers helpen bij het zoeken, ordenen en beoordelen van informatie. Maar daarmee kan ook veranderen welke informatie aandacht krijgt, hoe medewerkers hun oordeel vormen en wie uiteindelijk invloed heeft op beslissingen. Zelfs als de mens formeel beslist, kan AI dus invloed hebben op hoe dat besluit tot stand komt.
https://upstream.nl/2026/09/19/ai-schuift-op-naar-het-hart-van-de-ind/