Gisteravond keek ik opnieuw naar de biografische speelfilm Hannah Arendt (2012) van Margarethe von Trotta. Het boek Eichmann in Jeruzalem: De banaliteit van het kwaad (1963) staat al lange tijd in onze boekenkast. Eerlijk gezegd ben ik daar nooit doorheen gekomen. Te omvangrijk en te filosofisch. Toch roept Arendts werk, ruim zestig jaar na verschijnen, nog altijd actuele en fundamentele vragen op. Hoe kunnen gewone mensen bijdragen aan onrecht binnen goed georganiseerde systemen? Welke verantwoordelijkheid houdt een individu wanneer hij zich beroept op regels, procedures of bevelen? Hoe voorkomen we dat bureaucratie het morele oordeel verdringt?
De film is deels gebaseerd op Arendts verslag van het proces tegen Adolf Eichmann in Jeruzalem in 1961. Eichmann speelde als SS-functionaris een belangrijke organisatorische rol bij de deportatie van Europese Joden naar getto’s, concentratiekampen en vernietigingscentra. Hij werd in 1960 in Argentinië gevangengenomen, naar Israël gebracht, berecht en ter dood veroordeeld.
Hannah Arendt onderzoekt wie Eichmann was, wat hij concreet deed en hoe zijn verantwoordelijkheid juridisch en moreel moet worden beoordeeld. Tegelijk bekritiseert zij de opzet van het proces. Volgens haar wilde de Israëlische regering het mede gebruiken om de geschiedenis van het Joodse lijden en de legitimiteit van de staat Israël te benadrukken, terwijl de rechters juist probeerden de aandacht bij Eichmanns eigen handelen te houden.
Arendts centrale inzicht is dat Eichmann zich niet presenteerde als een demonisch monster, sadist of geesteszieke, maar als een ambitieuze en conformistische functionaris die carrière maakte door bevelen uit te voeren en procedures te organiseren. Dat maakt zijn verantwoordelijkheid niet kleiner. Juist het contrast tussen zijn gewone voorkomen en de omvang van zijn misdaden vormt de basis van haar begrip van de banaliteit van het kwaad.
Met ‘banaal’ bedoelt Arendt niet dat de Holocaust onbelangrijk of alledaags was. Zij bedoelt dat groot kwaad niet altijd voortkomt uit diepe haat of een uitzonderlijk kwaadaardige persoonlijkheid. Het kan ook worden gepleegd door mensen die hun handelen niet zelfstandig onderzoeken, zich verschuilen achter regels en rollen en de gevolgen voor anderen niet werkelijk onder ogen zien.
Daarmee samenhangend maakt Arendt onderscheid tussen instrumentele intelligentie en moreel denken. Eichmann kon organiseren, onderhandelen en administratieve problemen oplossen. Volgens Arendt ontbrak hem vooral het vermogen, of misschien de bereidheid, zich af te vragen wat hij feitelijk deed, wie daarvan het slachtoffer werd en of een bevel moreel aanvaardbaar was.
Dat brengt haar bij het begrip gedachteloosheid. Daarmee bedoelt zij geen domheid, maar het ontbreken van zelfstandig oordeel, zelfonderzoek en perspectiefwisseling. Eichmann sprak vaak in clichés en ambtelijke taal en verwees steeds naar plicht, bevelen en wetgeving. Volgens Arendt liet juist die taal zien dat hij zijn handelen vooral vanuit institutionele categorieën begreep.
Een tweede belangrijk inzicht betreft de verhouding tussen individu en systeem. De vervolging en vernietiging van de Europese Joden werden uitgevoerd door een netwerk van ministeries, politieorganisaties, spoorwegen, militaire autoriteiten, bezettingsbesturen en lokale collaborateurs. De verantwoordelijkheid was verdeeld, maar verdween daardoor niet. Eichmann was niet de architect van de Holocaust, maar ook geen machteloos radertje. Hij organiseerde, coördineerde en nam binnen zijn taakgebied initiatief.
Zijn beroep op de wetten en bevelen van het Derde Rijk wijst Arendt daarom af. Wanneer de rechtsorde zelf misdadig is geworden, blijft persoonlijke verantwoordelijkheid bestaan. De vraag is niet alleen of iemand een bevel opvolgde, maar ook of hij zelfstandig kon beoordelen wat dat bevel betekende.
Arendt beschrijft ook hoe het proces niet alleen over Eichmann ging, maar over de geschiedenis van de Jodenvervolging, het lijden van de Joden en de betekenis van Israël. Zij erkent het belang daarvan, maar vindt dat een strafproces in de eerste plaats moet vaststellen wat de verdachte zelf heeft gedaan. Wanneer een aangeklaagde vooral symbool wordt voor een groter historisch verhaal, dreigt de individuele verantwoordelijkheid uit beeld te raken.
In dat verband bespreekt zij ook de Joodse Raden, de door de nazi’s ingestelde bestuursorganen die onder zware dwang meewerkten aan registraties en deportaties. Volgens Arendt heeft die gedwongen medewerking de vervolging in sommige gevallen vergemakkelijkt. Zij wilde daarmee niet de schuld bij de Joodse leiders leggen, maar laten zien hoe totalitaire systemen slachtoffers kunnen dwingen mee te werken aan hun eigen onderdrukking. Juist deze analyse leidde destijds tot de felste controverse rond haar boek.
Latere discussie en Arendts eigen terugblik
Sinds het verschijnen van Eichmann in Jerusalem is Arendts analyse onderwerp gebleven van intensief debat. Nieuw bronnenmateriaal, waaronder de zogenoemde Sassen-interviews, laat zien dat Eichmann buiten de rechtszaal openlijk antisemitische en genocidale overtuigingen uitte. Historici als David Cesarani en Bettina Stangneth concluderen daarom dat Arendt zijn ideologische overtuiging heeft onderschat.
Arendt bleef haar centrale these verdedigen. Volgens haar werd de banaliteit van het kwaad vaak verkeerd begrepen. Zij had nooit willen zeggen dat de Holocaust banaal was of dat Eichmann onschuldig was. Haar punt was dat gewone mensen ernstige misdaden kunnen plegen wanneer zij ophouden zelfstandig te oordelen en volledig opgaan in hun functie en de taal van de bureaucratie.
De huidige wetenschappelijke consensus is genuanceerder. Eichmann wordt tegenwoordig gezien als zowel een overtuigde ideoloog als een bekwame bureaucraat. Die twee kenmerken sluiten elkaar niet uit, maar versterken elkaar. Daarmee blijft Arendts analyse van bureaucratie, verantwoordelijkheid en gedachteloosheid relevant, terwijl de latere historiografie laat zien dat ideologie, antisemitisme, ambitie en institutionele loyaliteit eveneens een rol speelden.
Tot slot
Arendts belangrijkste inzicht is dat grote misdaden niet alleen worden gepleegd door fanatieke leiders of gewelddadige daders. Ook gewone mensen kunnen eraan bijdragen wanneer zij hun verantwoordelijkheid beperken tot hun functie en ophouden zelfstandig na te denken. Eichmann hoefde niemand eigenhandig te doden om een essentiële bijdrage aan de massamoord te leveren. Juist daarom blijft persoonlijke verantwoordelijkheid bestaan, ook binnen een bureaucratie.
Daarmee stelt het boek een vraag die nog altijd relevant is. Misschien wel meer dan ooit. Regels, procedures en taakverdeling zijn niet vanzelf moreel. Ze kunnen een samenleving dienen, maar ook worden ingezet om onrecht efficiënt te organiseren.
De latere historiografie heeft Arendts analyse op onderdelen genuanceerd. Toch blijft haar centrale waarschuwing overeind: wie zijn morele oordeel volledig uitbesteedt aan regels, bevelen of autoriteiten, maakt een samenleving kwetsbaar. Juist daarom blijft Eichmann in Jeruzalem, ruim zestig jaar na verschijnen, een boek dat aan het denken zet.
En mocht je, net als ik, merken dat het boek Eichmann in Jeruzalem: De banaliteit van het kwaad door zijn omvang, filosofische stijl of om wat voor reden dan ook niet gemakkelijk leest, kijk dan in ieder geval de film Hannah Arendt. Margarethe von Trotta brengt Arendts ideeën, de controverse rond haar boek en haar persoonlijke moed op een toegankelijke manier tot leven. Een absolute aanrader!
Bronnen
- Arendt, H. (1969). Eichmann in Jeruzalem: De banaliteit van het kwaad. Uitgeverij Atlas. (Oorspronkelijk werk gepubliceerd in 1963)
- Cesarani, D. (2004). Becoming Eichmann: Rethinking the Life, Crimes, and Trial of a “Desk Murderer”. Da Capo Press.
- Historisch Nieuwsblad. (2023, 26 september). Arendt onderschatte Eichmann.
- Steenhuis, P. (2022, 1 juni). Wat blijft er over van Hannah Arendts denken nu Eichmann geen kille ambtenaar blijkt? Trouw.
- Stangneth, B. (2014). Eichmann Before Jerusalem: The Unexamined Life of a Mass Murderer. Alfred A. Knopf.
- Von Trotta, M. (Regisseur). (2012). Hannah Arendt [Film]. Heimatfilm; MACT Productions; Sophie Dulac Productions.
3 reacties
Zie ook mijn LInkedIn-bericht:
https://www.linkedin.com/feed/update/urn:li:activity:7486694404431368192/
Marco,
belangrijke gedachten, die je oppert.
Een notitie in de kantlijn: de banaliteit van het kwaad zit ‘m soms in (banaal) kleine hoekjes. Zoals in het niet maken van tijd voor het wél lezen van een boek. Lees dat boek vooral toch eens wél – máák er tijd voor!
Groet!
Bart
Het voorwoord van de Nederlandse vertaling van Eichmann in Jeruzalem is geschreven door historicus Ido de Haan. Het plaatst Hannah Arendts boek in zijn historische, intellectuele en maatschappelijke context en laat zien waarom het sinds de publicatie in 1963 zoveel discussie heeft opgeroepen. De Haan beschrijft niet alleen de achtergrond van het Eichmann-proces en Arendts leven, maar ook hoe haar ideeën over verantwoordelijkheid, bureaucratie en de zogenoemde ‘banaliteit van het kwaad’ zijn ontvangen en later zijn beoordeeld.
Hannah Arendt (1906–1975) woonde in 1961 het proces bij tegen Adolf Eichmann in Jeruzalem. Eichmann was een van de belangrijkste organisatoren van de deportatie van Joden tijdens de Tweede Wereldoorlog. Na de oorlog wist hij naar Argentinië te vluchten, waar hij in mei 1960 door de Israëlische geheime dienst werd opgespoord en ontvoerd. Zijn proces begon op 11 april 1961 in Jeruzalem en kreeg wereldwijd veel aandacht. Arendt deed verslag van het proces voor het Amerikaanse tijdschrift The New Yorker. Deze reportages vormden de basis voor het boek Eichmann in Jerusalem: A Report on the Banality of Evil, dat in 1963 verscheen.
Volgens De Haan had het Eichmann-proces niet alleen een juridische, maar ook een politieke en maatschappelijke betekenis. Voor de jonge staat Israël bood het proces de gelegenheid om de vervolging en vernietiging van de Europese Joden internationaal onder de aandacht te brengen. Premier David Ben-Gurion zag het proces als een manier om de geschiedenis van de Holocaust zichtbaar te maken en het belang van een eigen Joodse staat te onderstrepen. Daarom kregen de getuigenissen van overlevenden een prominente plaats naast de behandeling van Eichmanns persoonlijke verantwoordelijkheid. Arendt erkende deze bredere betekenis van het proces, maar plaatste ook kritische kanttekeningen bij de vermenging van juridische, historische en politieke doelstellingen.
Het voorwoord schetst daarnaast Arendts intellectuele ontwikkeling. Zij studeerde filosofie bij onder anderen Martin Heidegger en Karl Jaspers en vluchtte in 1933 uit nazi-Duitsland. In haar eerdere werk, vooral The Origins of Totalitarianism (1951), onderzocht zij de opkomst van totalitaire regimes. Tijdens het Eichmann-proces kwam zij tot een nieuwe formulering van haar denken over het kwaad. Volgens Arendt was Eichmann geen uitzonderlijk monster of sadistische fanaticus, maar een tamelijk gewone bureaucraat die zijn werk uitvoerde zonder kritisch na te denken over de gevolgen van zijn handelen. Zij vatte deze observatie samen in de inmiddels bekende uitdrukking de banaliteit van het kwaad. Daarmee bedoelde zij niet dat de misdaden zelf banaal waren, maar dat de dader geen demonische persoonlijkheid hoefde te bezitten om aan massale misdaden mee te werken.
Een belangrijk deel van het voorwoord is gewijd aan de controverse die Arendts boek veroorzaakte. Veel lezers vonden dat zij Eichmann te weinig als overtuigde antisemiet beschreef en te veel nadruk legde op zijn gedachteloosheid en bureaucratische manier van handelen. Nog meer kritiek ontstond doordat Arendt aandacht besteedde aan de rol van sommige Joodse Raden, die onder dwang met de Duitse bezetter samenwerkten bij de uitvoering van deportaties. Volgens haar maakte deze samenwerking de vernietiging van de Joodse bevolking op sommige plaatsen organisatorisch eenvoudiger. Deze analyse werd door veel overlevenden en Joodse organisaties ervaren als een pijnlijke en onrechtvaardige beschuldiging. Ook haar toon en haar nadruk op analytische afstand riepen veel weerstand op. Vooral de Israëlische denker Gershom Scholem behoorde tot haar felste critici en verweet haar een gebrek aan verbondenheid met het Joodse volk. Arendt wees die kritiek af en stelde dat haar loyaliteit in de eerste plaats lag bij de waarheid en het zelfstandig denken. De Haan wijst erop dat Arendt voor haar historische analyse mede voortbouwde op het werk van de historicus Raul Hilberg, wiens onderzoek naar de vernietiging van de Europese Joden grote invloed op haar had. Hoewel beiden op onderdelen verschilden in interpretatie en nadruk, deelden zij de aandacht voor de bureaucratische organisatie van de Holocaust en voor de rol van bestuurlijke structuren bij de uitvoering ervan.
De Haan laat zien dat de discussie over Arendts werk in de decennia daarna veranderde. Historisch onderzoek heeft bevestigd dat Eichmann een actievere en ideologisch overtuigder rol speelde bij de organisatie van de Holocaust dan Arendt tijdens het proces kon vaststellen. Tegelijkertijd hebben latere studies volgens De Haan ook laten zien dat haar aandacht voor bureaucratische besluitvorming, gehoorzaamheid, bestuurlijke verantwoordelijkheid en het ontbreken van kritisch denken belangrijke inzichten heeft opgeleverd voor het begrijpen van moderne massamisdaden. Haar analyse heeft daardoor invloed gehad op latere discussies over genocide, politieke verantwoordelijkheid en de werking van bureaucratische organisaties.
Het voorwoord concludeert dat Eichmann in Jeruzalem niet alleen een verslag is van een historisch proces, maar vooral een boek dat fundamentele vragen stelt over menselijk handelen, verantwoordelijkheid en moreel oordeelsvermogen. Volgens De Haan ligt de blijvende betekenis van Arendts werk niet in de vraag of al haar historische conclusies volledig juist waren, maar in haar poging te begrijpen hoe gewone mensen binnen een bureaucratisch systeem kunnen bijdragen aan uitzonderlijk grote misdaden zonder voortdurend bewust stil te staan bij de morele gevolgen van hun handelen. Juist die combinatie van historische analyse, politieke filosofie en morele reflectie verklaart waarom het boek ruim zestig jaar na verschijnen nog steeds wordt gelezen en besproken.