Payal Arora, hoogleraar Inclusieve AI Culturen aan de Universiteit Utrecht en oprichter van het Inclusive AI Lab, sprak tijdens het Paradisodebat 2026 over de manier waarop samenlevingen naar kunstmatige intelligentie kijken. In het gesprek stond vooral de sociale, culturele en economische context waarin AI wordt ontwikkeld en gebruikt centraal. Arora plaatste daarbij vraagtekens bij het sterk op risico en bescherming gerichte AI-debat in Europa en de Verenigde Staten. Haar uitgangspunt is dat we bij AI minder alleen naar de technische “black box” moeten kijken en meer naar de sociale systemen eromheen.
Volgens Arora kan een debat dat vooral draait om mogelijke risico’s ertoe leiden dat bestaande systemen te vanzelfsprekend als wenselijk worden beschouwd. Zij noemde het auteursrecht als voorbeeld en stelde dat dit systeem voor veel makers wereldwijd onvoldoende heeft gewerkt. Daartegenover pleitte zij voor meer aandacht voor toepassingen en experimenten buiten het Westen. Daarbij merkte zij op dat volgens haar ongeveer 90 procent van de wereldbevolking buiten het Westen leeft.
Arora stelde dat de houding tegenover AI in delen van Azië en andere regio’s optimistischer is dan in veel westerse landen. Zij noemde India en delen van Oost-Azië als voorbeelden. Een mogelijke verklaring ziet zij in de jonge bevolking van veel van deze landen. Jongeren zouden technologie minder als een vaststaand systeem benaderen en er meer spelenderwijs mee omgaan. In haar woorden: zij gebruiken technologie niet alleen, maar ‘spelen met tools’. Daardoor zien zij technologie eerder als iets dat nog in ontwikkeling is en waarmee nieuwe toepassingen kunnen worden uitgeprobeerd. Arora koppelde deze houding onder meer aan nieuwe vormen van creatieve productie, zoals short-form video in China.
Een belangrijk onderdeel van haar betoog was wat zij ‘contextual and cultural intelligence’ noemt. AI werkt volgens haar beter wanneer systemen rekening houden met taal, culturele nuances en de manier waarop mensen en gemeenschappen zichzelf willen representeren. Ze gaf als voorbeeld een klein mediabedrijf in India dat AI inzet voor vertaling. Volgens haar kunnen lagere vertaalkosten daar ruimte creëren om meer budget aan inhoud en maatwerk te besteden. Tegelijk benadrukte zij dat menselijke expertise nodig blijft om culturele nuance en context goed te begrijpen.
Arora beschreef ook projecten van het Inclusive AI Lab waarin onder meer inheemse en gehandicapte gemeenschappen meewerken aan prompts, beeldmateriaal en annotaties. Daarmee kunnen datasets en modellen volgens haar beter aansluiten op lokale en culturele contexten. Zij stelde dat gemeenschappen zo niet alleen onderwerp van AI-systemen zijn, maar ook invloed kunnen krijgen op de manier waarop zij in data en modellen worden gerepresenteerd.
Naar aanleiding van kritische vragen uit het publiek ging het gesprek ook over de maatschappelijke kosten van AI, waaronder milieu-impact en verborgen arbeid. Een bezoeker vroeg naar het energie- en waterverbruik van AI en naar de ongelijke verdeling van baten en lasten. Arora antwoordde dat de technische efficiëntie van datacenters volgens haar toeneemt, maar waarschuwde tegelijk voor verschillen tussen regio’s met veel en weinig onderhandelingsmacht. Zij plaatste de milieu-impact van AI bovendien in een breder debat over consumptie, afval, geplande veroudering en de manier waarop milieukosten internationaal worden verdeeld.
Een andere publieksvraag ging over de grote groep mensen die achter AI-systemen werkt aan onder meer data-annotatie en contentmoderatie. Arora onderschreef vooral het bredere punt dat veel menselijke arbeid achter AI onzichtbaar blijft. Volgens haar moet daarom niet alleen worden gekeken naar het gebruik van AI, maar ook naar de arbeidsvoorwaarden, vergoeding en erkenning van de mensen die deze systemen mogelijk maken.
Daarnaast pleitte zij voor publieke digitale infrastructuur en meer internationale samenwerking om de afhankelijkheid van grote technologiebedrijven te verkleinen. Zij verwees onder meer naar India Stack, de Libanese muziekapp Anghami en ontwikkelingen in landen als Mexico en Brazilië als voorbeelden waarvan volgens haar kan worden geleerd. Haar punt was niet dat deze voorbeelden zonder meer naar Nederland kunnen worden overgenomen, maar dat Europa actiever kan kijken naar experimenten en modellen die elders ontstaan.
In haar LinkedIn-terugblik formuleert Arora haar kritiek op het westerse risicodenken nog scherper. Een dominante focus op dreiging en bescherming kan volgens haar leiden tot naar binnen gericht protectionisme, paternalisme en een te lokale blik. Daarmee bestaat het risico dat alternatieve vormen van beleid, infrastructuur en creatieve economie elders te weinig aandacht krijgen.
De kern van Arora’s betoog is dat AI niet uitsluitend moet worden benaderd als een technisch risico dat moet worden begrensd. Zij ziet AI ook als een middel waarmee bestaande instituties, markten en vormen van representatie opnieuw kunnen worden ingericht. Tegelijk erkent zij dat risico’s en mogelijke schade aandacht vragen. Haar pleidooi is vooral om naast bescherming ook ruimte te houden voor experiment, internationale vergelijking en alternatieve modellen.
Wat mij betreft biedt Arora daarmee een verfrissende aanvulling op het AI-debat. Ze verschuift de aandacht van de technische “black box” naar de sociale systemen rond AI. De vraag wordt dan niet alleen “hoe beschermen we ons tegen AI?”, maar ook “onder welke voorwaarden kan AI bijdragen aan meer toegang, representatie en zeggenschap, hoe kan waarde eerlijker worden verdeeld en wie bepaalt die voorwaarden?”
Bron
-
Kunsten ’92. (2026, 6 september). Terugblik: Paradisodebat 2026 – BLACK BOX | Generatieve AI: wat is de macht én kracht van de culturele en creatieve sector?