In mijn eerdere filosofische verkenning beschreef ik relationele intelligentie (RQ) als het vermogen om hogere orden van samenhang binnen en tussen complexe systemen waar te nemen en voorwaarden te cultiveren waaronder verdere ontwikkeling kan ontstaan. Met ‘hogere orden’ bedoel ik daarbij niet betere of waardevollere vormen van samenhang, maar patronen die zichtbaar worden op een ander systeemniveau. Daarmee gaf ik RQ een bredere betekenis dan gebruikelijk. Relationele intelligentie verwijst in bestaande benaderingen vaak naar het vermogen om menselijke relaties op te bouwen en te onderhouden. Mijn verkenning probeert een stap verder te gaan.
Het essay Welcome to the Era of Relational Intelligence van Isabelle C. Hau biedt een goede aanleiding om die bredere definitie verder uit te werken. Hau, executive director van de Stanford Accelerator for Learning, omschrijft RQ als het menselijke vermogen om vertrouwen op te bouwen, spanning en verschil te hanteren, beschadigde relaties te herstellen en gezamenlijk betekenis te creëren. Zij verbindt dat vermogen aan onderwijs, werk, zorg en gemeenschappen en stelt dat instituties bewust een ‘relationele infrastructuur’ zouden moeten creëren waarin menselijke verbinding wordt ondersteund.
Op het eerste gezicht lijken daarmee twee definities van RQ naast elkaar te staan. Maar ze hoeven niet met elkaar te concurreren. Hau’s benadering kan worden opgevat als een eerste orde van RQ binnen een ruimer ontwikkelingsperspectief. Van daaruit kunnen ten minste drie orden worden onderscheiden: interpersoonlijke, systemische en ontwikkelingsgerichte relationele intelligentie.
Eerste orde: intelligentie in de relatie
De eerste orde speelt zich af in de directe relatie tussen mensen. Het gaat om het vermogen de ander daadwerkelijk waar te nemen, aandacht te geven, vertrouwen op te bouwen, verschillen te verdragen en na spanning of conflict opnieuw verbinding te maken.
Dit is het terrein waarop Hau (en veel anderen) zich vooral richt. Haar voorbeelden laten zien dat menselijke ontwikkeling niet uitsluitend voortkomt uit individuele eigenschappen, maar mede wordt beïnvloed door de kwaliteit van relaties. Een kind leert niet alleen door lesstof, maar ook in een omgeving waarin het zich gezien en vertrouwd voelt. Een patiënt ondergaat niet alleen een medische interventie, maar ervaart ook de kwaliteit van het contact met een zorgverlener. Een team bestaat niet alleen uit competente individuen; vertrouwen en psychologische veiligheid beïnvloeden wat mensen gezamenlijk kunnen bereiken (Hau, 2026).
Daarom pleit Hau voor relationele infrastructuur: scholen, organisaties, zorginstellingen en technologie die menselijke relaties niet aan het toeval overlaten, maar er bewust tijd en ruimte voor creëren (Hau, 2026).
Vanuit mijn bredere perspectief is deze interpersoonlijke RQ geen concurrerende definitie, maar de meest directe verschijningsvorm van een relationeel principe. RQ begint immers niet bij abstract systeemdenken, maar in de ontmoeting. Wie onvoldoende kan luisteren, perspectieven kan innemen of vertrouwen kan opbouwen, mist een belangrijk fundament voor het herkennen van complexere relationele patronen.
Relationeel kunnen ontstaat vooral in de praktijk. Door ervaring leren we beter luisteren, aanvoelen wat een situatie vraagt, verschillende perspectieven herkennen en passend reageren. Een deel van RQ is daarmee impliciete kennis: weten wat je moet doen zonder dat dit altijd precies in regels of stappen is uit te leggen (Derksen, 2026b).
De eerste orde kan daarom worden omschreven als het vermogen kwalitatieve menselijke relaties aan te gaan, te onderhouden en waar nodig te herstellen.
Tweede orde: intelligentie van het patroon
Relaties staan echter nooit op zichzelf. Een leraar en leerling maken deel uit van een klas, een school, een gezin en een onderwijsstelsel. Een arts en patiënt functioneren binnen een zorgsysteem van protocollen, financiering, technologie en tijdsdruk. Twee collega’s maken deel uit van teams, hiërarchieën, informele netwerken en een organisatiecultuur.
Daar verschijnt een tweede orde van RQ: het vermogen niet alleen afzonderlijke relaties te zien, maar ook patronen tussen relaties, actoren en systemen.
Die beweging stond centraal in mijn eerdere verkenning. Vanuit het perspectief van complexe adaptieve systemen ontstaan eigenschappen van een geheel mede uit interacties tussen de onderdelen. Een team, ecosysteem of samenleving kan daarom niet volledig worden begrepen door alleen de afzonderlijke elementen te bestuderen. Ook verbindingen, terugkoppelingen, afhankelijkheden en patronen van uitwisseling zijn bepalend (Derksen, 2026a; Senge, 1990).
Op dit niveau verandert de vraag die we stellen. Bij eerste-orde RQ vragen we bijvoorbeeld: Hoe is de relatie tussen deze leraar en deze leerling? Bij tweede-orde RQ wordt de vraag: Welke patronen in het schoolsysteem maken duurzame relaties waarschijnlijker of juist moeilijker?
Een leraar kan relationeel bekwaam zijn en toch functioneren in een omgeving met grote groepen leerlingen, weinig tijd en veel administratieve druk. Het relationele probleem ligt dan niet uitsluitend bij personen, maar ook in de structuur waarin hun relaties zich moeten ontwikkelen.
Juist hier ontmoeten Hau’s begrip van relationele infrastructuur en mijn bredere filosofische verkenning elkaar. Haar infrastructuurconcept impliceert al dat de kwaliteit van relaties mede wordt gevormd door tijd, ruimte, regels, technologie en institutionele inrichting. Daarmee beweegt haar analyse van de eerste naar de tweede orde (Hau, 2026).
Ook de instrumenten waarmee we naar zo’n systeem kijken, maken deel uit van het relationele patroon. Data, dashboards en AI brengen bepaalde verbanden naar de voorgrond, terwijl andere aspecten minder zichtbaar worden. Waarneming is daarom nooit volledig neutraal. Tweede-orde RQ vraagt niet alleen welke patronen zichtbaar zijn, maar ook welke perspectieven, meetinstrumenten en technologische systemen bepalen wat überhaupt als relevant patroon verschijnt (Derksen, 2026d).
Tweede-orde RQ kan daarom worden omschreven als het vermogen patronen van samenhang, afhankelijkheid en terugkoppeling tussen meerdere relaties, actoren en systemen te herkennen en te begrijpen, inclusief de perspectieven van waaruit die patronen zichtbaar worden.
Derde orde: intelligentie van ontwikkeling
Het herkennen van patronen is nog niet hetzelfde als ontwikkeling mogelijk maken.
Complexe systemen laten zich maar beperkt centraal sturen. Een cultuur kun je niet ontwerpen zoals een machine. Vertrouwen kun je niet afdwingen. Innovatie kun je stimuleren, maar niet volledig plannen. Een gemeenschap ontstaat niet vanzelf doordat mensen bij elkaar worden gezet. Nieuwe kwaliteiten kunnen ontstaan uit interacties waarvan de uitkomst vooraf niet precies vaststaat (Holland, 1998).
Daar ligt de derde orde van RQ: niet alleen relaties onderhouden of patronen herkennen, maar omstandigheden creëren waarin nieuwe vormen van samenhang en ontwikkeling kunnen ontstaan.
Dit sluit aan bij het begrip emergentie uit mijn eerdere verkenning. Emergentie betekent dat op het niveau van het geheel iets kan ontstaan dat niet eenvoudig is terug te voeren op de afzonderlijke onderdelen (Derksen, 2026a; Holland, 1998). Een melodie zit niet in één toon. Een organisatiecultuur zit niet in één medewerker. Vertrouwen zit niet in één persoon, maar ontstaat en verandert in interactie.
Derde-orde RQ vraagt daarom om een andere houding dan klassieke beheersing. De vraag is niet meer hoe we tot een gewenste uitkomst komen, maar: Welke omstandigheden vergroten de kans dat een wenselijke ontwikkeling ontstaat?
We kunnen bijvoorbeeld psychologische veiligheid bevorderen zonder innovatie rechtstreeks te kunnen produceren. We kunnen verschillende disciplines, ervaringen en ideeën met elkaar verbinden zonder vooraf te weten welke inzichten daaruit voortkomen. We kunnen technologie zo inzetten dat zij meer ruimte maakt voor menselijk contact, zonder te kunnen voorspellen wat uit die ontmoetingen ontstaat.
Hau’s principe augmentation over automation past goed bij deze gedachte. Technologie kan administratieve en coördinerende taken verminderen, zodat mensen meer tijd krijgen voor onderwijs, begeleiding en zorg. Ook haar principe bridges, not buffers verschuift de aandacht van wat technologie technisch kan naar de vraag welke menselijke relaties zij versterkt of juist verzwakt (Hau, 2026).
Vanuit een ontwikkelingsfilosofie gaat die gedachte nog een stap verder. Technologie verandert niet alleen wat mensen kunnen doen, maar ook wat zij door hun handelen leren en ontwikkelen. Wanneer AI structureel delen van waarnemen, analyseren, schrijven of beslissen overneemt, kan zij professioneel handelen versterken, maar ook ervaringen wegnemen waarin vakmanschap, twijfel en oordeel groeien (Derksen, 2026e; Derksen, 2026f).
Dat is vooral relevant voor beginnende professionals. Zij leren niet alleen door goede uitkomsten te produceren, maar ook door zelf waar te nemen, fouten te maken, afwegingen te oefenen en de gevolgen van beslissingen te ervaren. Wanneer AI zulke stappen te vroeg overneemt, kan het werk efficiënter worden terwijl een deel van het leerproces verdwijnt. Derde-orde RQ vraagt daarom ook welke ervaringen mensen zelf moeten blijven opdoen om later zelfstandig en verantwoord te kunnen handelen (Derksen, 2026c; Derksen, 2026e; Derksen, 2026f).
Niet iedere vorm van ontwikkeling is vanzelfsprekend goed. Ook organisaties of groepen die schadelijk werken, kunnen intern sterk georganiseerd en samenhangend zijn. RQ gaat daarom niet alleen over het mogelijk maken van ontwikkeling, maar ook over de vraag welke ontwikkeling we wenselijk vinden en op basis van welke waarden we dat beoordelen.
Derde-orde RQ is daarmee het vermogen omstandigheden te creëren waarin nieuwe samenhang, betekenis en ontwikkeling kunnen ontstaan, met oog voor zowel de wenselijkheid van die ontwikkeling als voor de menselijke vermogens die daarin worden gevormd.
Geen ladder, maar drie perspectieven
Het is verleidelijk deze drie orden als een hiërarchie te zien: van eenvoudige menselijke relaties naar steeds complexere vormen van intelligentie. Dat zou echter misleidend zijn.
De drie orden zijn beter te begrijpen als verschillende perspectieven of schaalniveaus die elkaar voortdurend beïnvloeden.
Zonder eerste-orde RQ ontbreekt de kwaliteit van de concrete ontmoeting. Zonder tweede-orde RQ zien we onvoldoende hoe die ontmoetingen worden gevormd door bredere patronen en structuren. Zonder derde-orde RQ blijven we systemen vooral analyseren en ontbreekt het vermogen bewust voorwaarden voor ontwikkeling te cultiveren.
Andersom heeft systeemdenken zonder menselijke aandacht weinig waarde. Wie patronen uitstekend kan analyseren maar de ander niet werkelijk kan ontmoeten, beschikt over een onvolledige vorm van RQ. Wie nieuwe coherentie probeert te bevorderen zonder oog voor macht, waarden en menselijke ervaringen, kan ook schadelijke systemen versterken.
RQ vraagt daarom om beweging tussen drie vermogens: ontmoeten, patronen zien en condities cultiveren. Door alle drie de orden loopt een ontwikkelingsproces van waarnemen, handelen, oefenen en kunnen. RQ is daarmee niet alleen een vermogen dat iemand bezit, maar ook een vermogen dat in concrete praktijken voortdurend wordt gevormd (Derksen, 2026b).
Conclusies en adviezen
De drie orden maken duidelijk dat relationele intelligentie meer is dan goed kunnen omgaan met andere mensen. RQ begint bij de kwaliteit van de ontmoeting, verbreedt zich naar het herkennen van patronen tussen mensen en systemen en krijgt een ontwikkelingsgerichte betekenis wanneer we nadenken over de voorwaarden waaronder nieuwe mogelijkheden kunnen ontstaan.
Dat is relevant in een tijd waarin AI steeds meer taken overneemt. De kernvraag is niet alleen wat technologie kan, maar ook welke relaties, werkwijzen en vormen van leren zij versterkt of juist verzwakt. Hau laat zien dat menselijke verbinding geen bijzaak is, maar een voorwaarde voor goed functioneren in onderwijs, werk en zorg (Hau, 2026). Mijn bredere verkenning voegt daaraan toe dat we ook moeten kijken naar de patronen en ontwikkelcondities waarbinnen die relaties ontstaan (Derksen, 2026a).
Daaruit volgen drie praktische adviezen:
- Investeer in relationele vaardigheden en in omgevingen waarin mensen die vaardigheden kunnen oefenen.
- Kijk bij complexe vraagstukken niet alleen naar individuen of losse onderdelen, maar ook naar de relaties en patronen ertussen.
- Beoordeel technologie niet alleen op efficiëntie en output, maar ook op de vraag welke menselijke vermogens en vormen van samenwerking zij op langere termijn ondersteunt.
RQ is daarmee geen alternatief voor IQ, EQ, systeemdenken of AI. Het is een manier om die verschillende vormen van intelligentie met elkaar te verbinden: goed ontmoeten, patronen leren zien en voorwaarden creëren voor wenselijke ontwikkeling.
Bronnen
- Derksen, M. (2026a, 28 juli). Relationele intelligentie: Een ontwikkelingsfilosofie voor een complexe wereld. Upstream.
- Derksen, M. (2026b, 1 september). Ik kan, dus ik ben. Upstream.
- Derksen, M. (2026c, 2 september). Merleau-Ponty over leiderschap in digitale transformatie. Upstream.
- Derksen, M. (2026d, 2 september). Kunst als oefening in anders kijken. Upstream.
- Derksen, M. (2026e, 2 september). AI als verlengstuk van het professionele kunnen. Upstream.
- Derksen, M. (2026f, 4 september). AI verandert niet alleen wat we doen, maar ook wie we worden. Upstream.
- Hau, I. C. (2026). Welcome to the era of relational intelligence. Stanford Social Innovation Review, 24(2), 26–35.
- Holland, J. H. (1998). Emergence: From chaos to order. Oxford University Press.
- Senge, P. M. (1990). The fifth discipline: The art and practice of the learning organization. Doubleday/Currency.
2 reacties
Wat word ik blij van deze post Marco! Jij geeft woorden aan een gevoel waar ik al langer mee zit en lastig onder woorden wist te brengen voor mijzelf en jij maakt het uitstekend inzichtelijk hiermee. Ik denk dat jij dit prachtig omschrijft.
In mijn hoofd zat iets van strategisch-tactisch-uitvoerend, maar dit is zoveel beter.
Bij de tweede orde en patronen denk ik ook meteen aan een connectie met onderstroom, fenomenologisch/systemisch en de drie zorgen voor een basis voor het vervangen van voor individu en teams belemmerende patronen door helpende (met hulp van emergentie en goede observatie/begeleiding).
Bonus-blij met jouw observatie over hoe AI fundamenteel oefenen en leren weg kan nemen, waarmee wij talent/vaardigheden niet tot wasdom laten komen.
Goed om te horen Hermannus. Zit hier al een tijd op te kauwen en ben er ook nog biet mee klaar.
Heb inmiddels ook contact met Isabelle Hau die hier vanuit Standford University aan werkt.