Kunstmatige intelligentie (AI) leidt niet vanzelf tot een economische revolutie, betoogt economisch historicus Carl Benedikt Frey in een interview met NRC. Volgens hem automatiseren de huidige taalmodellen vooral bestaand kenniswerk. Echte productiviteitsgroei ontstaat pas wanneer nieuwe technologie leidt tot nieuwe producten, diensten, bedrijven en markten. Dat vraagt niet alleen om technologische vooruitgang, maar ook om menselijke creativiteit, ondernemerschap, sterke concurrentie en een sociaal vangnet dat werknemers helpt zich aan veranderingen aan te passen.
Frey plaatst de huidige ontwikkelingen rond AI in een historisch perspectief. Zijn analyse bouwt voort op de ideeën uit zijn boek How Progress Ends, waarin hij betoogt dat technologische vooruitgang geen vanzelfsprekendheid is. De geschiedenis laat volgens hem zien dat duurzame economische groei ontstaat wanneer samenlevingen een evenwicht vinden tussen ruimte voor experiment en ondernemerschap enerzijds en instituties die succesvolle innovaties kunnen opschalen anderzijds. Technologie is daarbij een noodzakelijke, maar geen voldoende voorwaarde voor vooruitgang.
Volgens Frey hebben ook de Verenigde Staten en China, ondanks hun leidende positie in AI, de afgelopen jaren slechts een beperkte groei van de arbeidsproductiviteit gekend. Daarmee relativeert hij het beeld dat een technologische voorsprong automatisch leidt tot economische vooruitgang. Historische voorbeelden laten volgens hem zien dat uitvindingen pas een grote maatschappelijke impact krijgen wanneer zij worden toegepast in nieuwe economische activiteiten en organisatievormen. Hij verwijst onder meer naar de stoommachine, elektriciteit en de auto-industrie. De grote doorbraak van de auto ontstond volgens hem niet alleen door de verbrandingsmotor, maar vooral doordat Henry Ford de productie reorganiseerde met de lopende band en daarmee een nieuw industrieel ecosysteem creëerde.
Een centraal onderscheid in het interview is dat tussen automatisering en innovatie. Frey ziet de huidige generatie taalmodellen vooral als een hulpmiddel om bestaand kenniswerk efficiënter uit te voeren. Ze kunnen mensen ondersteunen bij bestaande taken, maar ontwikkelen volgens hem nog geen eigen ideeën, voeren geen zelfstandige experimenten uit en creëren geen nieuwe economische activiteiten. Daardoor dragen zij vooral bij aan automatisering en kostenverlaging, terwijl de grootste economische doorbraken volgens hem juist voortkomen uit innovatie: het ontwikkelen van nieuwe producten, diensten en markten.
Een tweede belangrijk onderscheid dat Frey maakt is tussen exploratie en exploitatie. Exploratie draait om experimenteren, het ontwikkelen van nieuwe ideeën en ondernemerschap. Exploitatie richt zich op het efficiënt toepassen en opschalen van bestaande technologie. Beide zijn noodzakelijk, maar volgens Frey ontstaat stagnatie wanneer een economie te veel nadruk legt op exploitatie en te weinig ruimte biedt voor nieuwe initiatieven. In dat licht ziet hij een risico in de huidige AI-markt, waarin grote technologiebedrijven zich vooral richten op het verbeteren en automatiseren van bestaande activiteiten.
Ook de organisatie van de economie speelt volgens Frey een belangrijke rol. Kleine ondernemingen zijn historisch gezien vaker de bron van radicale vernieuwing. Hij waarschuwt daarom dat overnames van veelbelovende startups door grote technologiebedrijven de innovatiedynamiek kunnen beperken. Tegelijkertijd benadrukt hij dat hij geen voorspellingen doet over de uiteindelijke ontwikkeling van AI, maar historische patronen gebruikt om mogelijke toekomstscenario’s beter te begrijpen.
Op de arbeidsmarkt ziet Frey aanwijzingen dat bedrijven terughoudender zijn geworden met het aannemen van starters, maar hij acht het te vroeg om dit hoofdzakelijk aan AI toe te schrijven. Volgens hem spelen ook economische onzekerheid, hoge rentestanden en geopolitieke ontwikkelingen een rol. Hij merkt ook op dat de kosten van AI-toepassingen in de praktijk vaak hoger blijken dan aanvankelijk werd verwacht. Zijn huidige onderzoek richt zich daarom op een andere vraag: welke taken willen mensen eigenlijk laten automatiseren en bij welke activiteiten blijft menselijke betrokkenheid gewenst? Daarbij noemt hij voorbeelden als zelfscankassa’s, yogalessen op afstand en menselijke controle bij financiële transacties.
Frey verwacht dat AI de arbeidsmarkt wel degelijk zal veranderen. Wanneer kenniswerk eenvoudiger wordt, kunnen professionals wereldwijd gemakkelijker met elkaar concurreren, wat de inkomens onder druk kan zetten. Ook ontwikkelingen zoals zelfrijdende voertuigen kunnen gevolgen hebben voor sectoren als logistiek en transport. Daarom pleit hij voor een sociaal vangnet dat werknemers ondersteunt tijdens technologische veranderingen. Zonder dergelijke voorzieningen bestaat volgens hem het risico dat maatschappelijke groepen de invoering van AI proberen af te remmen via regelgeving of beroepsbescherming.
De belangrijkste conclusie van Frey is dat AI een waardevol hulpmiddel is, maar geen zelfstandige motor van economische vooruitgang. De uiteindelijke maatschappelijke en economische opbrengst hangt af van menselijke creativiteit, ondernemerschap, concurrentie en de institutionele inrichting van de economie. Zijn historische analyse relativeert zowel optimistische verwachtingen over een snelle AI-revolutie als sombere voorspellingen over massale vervanging van menselijk werk. De centrale les uit zowel het interview als How Progress Ends is dat niet de technologie zelf, maar de manier waarop samenlevingen innovatie organiseren uiteindelijk bepaalt of nieuwe technologie leidt tot brede welvaart.
Bronnen
- Frey, C. B. (2025). How Progress Ends: Technology, Innovation, and the Fate of Nations. Penguin Press.
- London School of Economics and Political Science. (2025, 21 oktober). How progress ends: Technology, innovation, and the fate of nations | LSE event [Video]. YouTube.
- Van Lent, D. (2026, 31 juli). AI? Voor een echte revolutie heb je mensen nodig. NRC.