Afgelopen week luisterde ik weer een mooie aflevering van De Ongelooflijke Podcast, waarin presentator David Boogerd en theoloog Stefan Paas spreken met bestuurskundige en filosoof Paul Frissen over de politieke vraag: van wie is de democratische rechtsstaat eigenlijk? Aanleiding is Frissens boek De neutrale staat, waarin hij betoogt dat de staat neutraal en onpartijdig moet blijven en niet het instrument mag worden van één ideologische, morele of culturele stroming. Inmiddels las ik ook enkele recensies en beluisterde ik interviews met onder meer Kelder & Co en De Nieuwe Wereld.
Paul Frissen (1955) is emeritus hoogleraar bestuurskunde aan Tilburg University. Hij promoveerde in 1989 op een proefschrift over bureaucratische cultuur en informatisering. Frissen houdt zich bezig met analyses van de moderne staat op het snijvlak van bestuurskunde en politieke filosofie. Hij schreef meerdere boeken over de rol en grenzen van de staat, waaronder De Staat van Verschil, De fatale staat en Het geheim van de laatste staat. In zijn werk benadrukt hij de noodzaak om de onvolmaaktheid van de wereld te accepteren en waarschuwt hij voor te veel overheidsbemoeienis.
In De neutrale staat stelt Frissen dat zowel populistisch rechts als wat hij typeert als activistisch links de democratische rechtsstaat proberen te claimen voor hun eigen visie op samenleving en rechtvaardigheid. Hoewel deze bewegingen inhoudelijk sterk verschillen, ziet hij overeenkomsten in hun politieke stijl: beide wantrouwen bestaande instituties, denken in termen van vriend en vijand en hebben weinig geduld met langdurige parlementaire bemiddeling en compromisvorming. In een bespreking van Frissens boek in het Financieele Dagblad beschrijft filosoof Sebastien Valkenberg dit als Frissens kritiek op “onmiddellijkheid”: de overtuiging dat politieke doelen direct gerealiseerd moeten worden zonder institutionele vertraging of democratische frictie.
Frissen verdedigt juist het trage en onvolmaakte karakter van democratie. Volgens hem zijn conflict, discussie, checks and balances en bestuurlijke omslachtigheid geen defecten van het systeem, maar noodzakelijke voorwaarden voor pluralisme en vrijheid. Dat sluit aan bij zijn pleidooi voor “voortmodderen”: geen politiek van grote beloften of definitieve oplossingen, maar een bestuur dat erkent dat complexe samenlevingen nooit volledig beheersbaar zijn.
Frissen schetst in het gesprek hoe de overheid volgens hem bureaucratischer en controlerender is geworden. Hij noemt de toeslagenaffaire geen incident, maar een gevolg van een systeem dat steeds sterker is ingericht op controle, fraudebestrijding en risicoselectie. Als voorbeeld verwijst hij naar de aanscherping van het toezicht na de Bulgarenfraude. Ook noemt hij cijfers over de groei van de jeugdzorg. Volgens Frissen kreeg eind vorige eeuw ongeveer één op de dertig kinderen jeugdzorg, terwijl dat inmiddels ongeveer één op de acht zou zijn. Hij ziet dat als een gevolg van strengere definities van normaliteit, meer diagnostiek en een groeiende rol van protocollen en professionals.
In zijn gesprek bij De Nieuwe Wereld benadrukt Frissen dat de staat tegelijk noodzakelijk én potentieel gevaarlijk is, omdat alleen de staat geweld mag gebruiken en belastingen mag heffen. Juist daarom moet de overheid volgens hem terughoudend zijn met het sturen van gedrag en moraal. Als voorbeeld noemt hij de Schijf van Vijf. Wat begint als gezondheids-voorlichting kan volgens hem uitgroeien tot sociale disciplinering via artsen, media, preventiecampagnes en verzekeringsprikkels. Hij verbindt dit aan Tocquevilles begrip van “mild despotisme”: een overheid die burgers niet met harde dwang, maar via zachte normering probeert te sturen.
Daarnaast verwerpt Frissen het idee dat neoliberalisme heeft geleid tot een kleinere overheid. Volgens hem heeft marktwerking in sectoren zoals de zorg juist geleid tot meer toezicht, regelgeving en bureaucratie. Marktordening vraagt volgens hem om voortdurende staatsinterventie.
Een terugkerend thema in het gesprek is de spanning tussen technocratie en symbolische politiek. Frissen stelt dat politiek niet alleen draait om rationele oplossingen, maar ook om identiteit, erkenning en culturele betekenis. In de uitzending van Dr. Kelder en Co. stelt Frissen dat de kloof tussen bestuurlijke, culturele en academische elites enerzijds en bredere lagen van de bevolking anderzijds vooral sociaal en cultureel van aard is. Volgens hem zijn elites zich sinds de ontzuiling sterker gaan afzonderen in leefstijl, opleidings-niveau, mediagebruik en sociale netwerken. Daardoor groeien gevoelens van vernedering en politieke vervreemding. Populisme moet daarom niet alleen worden begrepen als economisch protest, maar ook als een strijd om erkenning en culturele waardigheid.
Die analyse sluit gedeeltelijk aan bij recente cijfers van CBS en SCP over vertrouwen in politiek en democratie. Daaruit blijkt dat de tevredenheid met de democratie als systeem al decennialang relatief hoog en stabiel blijft, terwijl het vertrouwen in politici en de Tweede Kamer veel lager ligt. In 2025 zegt 72 procent tevreden te zijn over de democratie, tegenover 25 procent vertrouwen in de Tweede Kamer en 21 procent vertrouwen in politici. Dat onderscheid ondersteunt Frissens analyse dat veel burgers de democratische rechtsstaat als systeem blijven steunen, maar vervreemd raken van politieke elites, technocratisch bestuur en de manier waarop de overheid maatschappelijke problemen probeert te beheersen. Tegelijk suggereren deze cijfers ook dat de Nederlandse democratische rechtsstaat institutioneel robuuster is dan Frissens soms sombere analyse doet vermoeden.
Stefan Paas brengt tijdens het gesprek regelmatig een ander perspectief in. Hij betwijfelt of politiek vooral vanuit strijd moet worden begrepen en benadrukt dat samenwerking, bescherming en rechtvaardigheid eveneens fundamentele politieke waarden zijn. Daarmee ontstaat een duidelijk filosofisch verschil: Frissen benadrukt conflict, begrenzing en institutionele terughoudendheid, terwijl Paas meer nadruk legt op gemeenschap en gedeelde verantwoordelijkheid.
Ook Merijn Oudenampsen plaatst in De Groene Amsterdammer kritische kanttekeningen bij Frissens analyse. Oudenampsen betoogt dat Frissen maatschappelijke verbanden soms positiever voorstelt dan historisch gerechtvaardigd is. Volgens hem kunnen ook kerken, scholen, families en verzuilde organisaties disciplinerend, normerend en uitsluitingsgericht functioneren. Daarmee zou Frissen volgens Oudenampsen niet zozeer tegen disciplinering of maakbaarheid zijn, maar vooral tegen disciplinering door de staat. Hij verbindt dit aan Michel Foucaults begrip “staatsfobie”: een diep wantrouwen tegenover staatsmacht, gecombineerd met een relatief geïdealiseerd beeld van het maatschappelijk middenveld.
Oudenampsen betwijfelt daarnaast of Frissens beschrijving van wat hij typeert als activistisch links en populistisch rechts als “revolutionaire” bewegingen empirisch volledig overtuigt. Hij wijst erop dat veel klimaat- en antiracismebewegingen uiteindelijk juist compromissen nastreefden, zoals de overgang van Zwarte Piet naar roetveegpiet. Ook suggereert hij dat Frissens ideaal van een terughoudende staat gedeeltelijk aansluit bij het Nederlandse bestuursmodel van de afgelopen decennia, waaronder de nadruk op de participatiesamenleving onder Mark Rutte.
Als ik Frissen goed heb begrepen, stelt hij dat de legitimiteit van de democratische rechtsstaat afhangt van institutionele terughoudendheid. Zodra de staat zichzelf verbindt aan één ideologie, levensvisie of moreel project, neemt volgens hem de druk op pluraliteit en vrijheid toe. Tegelijk laten recente cijfers van het CBS en SCP, evenals de kritische analyses van Oudenampsen en Valkenberg, zien dat volledige neutraliteit moeilijk realiseerbaar blijft, omdat zowel de staat als maatschappelijke gemeenschappen normatief en disciplinerend kunnen optreden. Daarmee draait het debat uiteindelijk niet alleen om de vraag hoeveel macht de staat moet hebben, maar ook om de vraag hoe een pluralistische samenleving omgaat met verschil, conflict, erkenning en democratische begrenzing.
Bronnen
- Boogerd, D., Paas, S., & Frissen, P. (2026). De Ongelooflijke Podcast – Aflevering 301: Paul Frissen over de neutrale staat [Podcastaflevering]. EO / NPO Radio 1.
- Centraal Bureau voor de Statistiek. (2026). Vertrouwen in de politiek, 2016–2025. CBS Statistische Trends.
- Frissen, P., Hermans, E., De Groot, E., & Kelder, J. (2026). Dr. Kelder en Co. / Jortcast – Elite, volk en populisme [Podcastaflevering]. AVROTROS / NPO Radio 1.
- Oudenampsen, M. (2026, 29 april). Paul Frissen en de ‘staatsfobie’. De Groene Amsterdammer.
- Sociaal en Cultureel Planbureau. (2025). Burgerperspectieven 2025. SCP.
- Sommer, M., & Frissen, P. (2026). De Nieuwe Wereld – Paul Frissen over de neutrale staat [Interview]. De Nieuwe Wereld.
- Valkenberg, S. (2026). Pleidooi voor een politiek van het voortmodderen. Het Financieele Dagblad.
1 reactie
Kritische reflectie op ‘De neutrale staat’ door Hans Konstapel:
https://constable.blog/2026/05/14/de-neutrale-staat-en-haar-grenzen/