Gisteravond was de laatste reguliere bijeenkomst van dit seizoen van het leerprogramma Leren van Diversiteit en Innovatie van Rik Maes. Edgar Karssing, hoogleraar filosofie, beroepsethiek en integriteitsmanagement aan Nyenrode Business Universiteit, gaf een lezing over Adam Smith, economie en ethiek, met als centraal thema een “psychologisch realistische organisatie-ethiek”. Zijn verhaal sloot inhoudelijk aan bij zijn oratie Beroepsethiek voor feilbare mensen (Karssing, 2022) en zijn laatste boek Het feilbare geweten (Karssing, 2025). De kern van zijn boodschap was dat ethiek niet moet uitgaan van perfecte mensen, maar van gewone mensen die onder druk staan, fouten maken, beïnvloedbaar zijn en toch proberen verantwoord te handelen.
Karssing begon met de bekende parabel van twee wolven die in ieder mens met elkaar strijden: een “goede” wolf die empathisch en samenwerkingsgericht is, en een “kwade” wolf die opportunistisch en egoïstisch handelt. Op de vraag welke wolf wint, luidt het antwoord: “De wolf die je voedt.” Daarmee zette hij direct het centrale thema neer: mensen beschikken meestal over een moreel kompas, maar dat kompas is kwetsbaar en sterk afhankelijk van context, gewoonten en sociale omstandigheden.
Vanuit die gedachte introduceerde Karssing de Schotse econoom Adam Smith (1723-1790) als meer dan alleen een econoom. Smith is vooral bekend van The Wealth of Nations (1776), waarin hij beschrijft hoe eigenbelang en vrijwillige ruil onder bepaalde omstandigheden kunnen bijdragen aan maatschappelijke welvaart — een idee dat later bekend werd als de “onzichtbare hand”. Maar Karssing wees erop dat Smith eerder al The Theory of Moral Sentiments (1759) schreef, een boek waarin juist empathie, geweten en morele gevoelens centraal staan. Volgens Karssing vormen deze twee boeken geen tegenstelling, maar horen economie en ethiek juist bij elkaar. Mensen handelen niet alleen uit eigenbelang; zij willen ook respect ontvangen, zichzelf kunnen verantwoorden en door anderen als fatsoenlijk worden gezien.
Daarmee kwam Karssing bij twee fundamentele vragen die volgens hem centraal staan bij Adam Smith:
- hoe zitten mensen eigenlijk in elkaar,
- en hoe kunnen mensen ondanks botsende belangen toch vreedzaam samenleven en samenwerken?
Smith verzette zich daarmee tegen het sombere mensbeeld van Thomas Hobbes. Volgens Karssing zag Smith mensen juist als sociale wezens die behoefte hebben aan wederkerigheid, erkenning en verbondenheid. Ethiek draait uiteindelijk om het verbreden van de cirkel van betrokkenheid: van “ik, hier, nu” naar idealiter “iedereen, overal, altijd”.
Smith had volgens Karssing ook scherp oog voor de risico’s van commerciële samen-levingen. Hij noemde onder meer ongelijkheid, armoede, slechte arbeidsomstandigheden, slavernij, marktmacht en de “corruptie van morele gevoelens” als zorgen die Smith zelf benoemde. Daarmee nuanceerde Karssing het beeld van Smith als een denker die marktwerking vanzelfsprekend als moreel goed beschouwde.
Een belangrijk element in de lezing was de drieslag tussen markt, recht en ethiek:
- de markt vraagt: “Wat loont?”,
- het recht vraagt: “Wat moet?”,
- en ethiek vraagt: “Wat hoort?”.
Volgens Karssing functioneren organisaties altijd via een combinatie van deze drie logica’s. Problemen ontstaan wanneer één logica, meestal de economische, dominant wordt en andere afwegingen verdringt.
Vervolgens ging Karssing in op Smiths theorie van het geweten. Moraal ontstaat volgens hem niet geïsoleerd in individuen, maar juist in relatie tot anderen. Mensen leren eerst anderen beoordelen en beseffen daarna dat anderen ook hen beoordelen. Via die sociale spiegel ontwikkelen zij geleidelijk een innerlijke morele stem. Smith noemde dat de “onpartijdige toeschouwer”: een innerlijk perspectief waarmee mensen afstand proberen te nemen van emoties, belangen en groepsdruk.
Karssing werkte dit uit in twee fasen. Eerst is er een inlevingsfase, waarin mensen zich proberen te verplaatsen in alle betrokkenen. Daarna volgt een oordeelsfase, waarin belangen zo onpartijdig mogelijk worden afgewogen. Hij benadrukte daarbij dat empathie alleen niet voldoende is. Verbeeldingskracht is nodig om zichtbaar te maken wat niet direct zichtbaar is: abstracte slachtoffers, toekomstige generaties of mensen buiten het directe blikveld van organisaties. Goed moreel oordelen vraagt daarom zowel betrokkenheid als afstand.
Vanuit deze morele psychologie maakte Karssing de overstap naar zijn centrale thema: menselijke feilbaarheid. Hij zei expliciet dat hij minder geïnteresseerd is in “boeven” dan in gewone mensen met een geweten die in organisaties toch schadelijk gedrag vertonen. Daarbij verwees hij naar gedragswetenschappelijk onderzoek waaruit blijkt hoe sterk context gedrag beïnvloedt. Hij vatte dat samen als “psychologisch realisme”: ethiek moet uitgaan van mensen zoals ze zijn, niet van mensen zoals ze idealiter zouden moeten zijn.
Een van de voorbeelden die hij noemde, was onderzoek naar fraude en vermoeidheid. Mensen blijken vaker te frauderen wanneer mentale energie en zelfcontrole afnemen. Een tweede voorbeeld was het bekende “Good Samaritan”-experiment. Theologie-studenten die onderweg iemand in nood tegenkwamen, hielpen veel minder vaak wanneer zij onder hoge tijdsdruk stonden. Karssings conclusie was dat mensen hun morele kompas niet ineens verliezen, maar dat tijdsdruk, prestatiedruk en focus andere waarden tijdelijk naar de achtergrond kunnen drukken.
Karssing gebruikte vervolgens voorbeelden uit het bedrijfsleven om te laten zien hoe zulke processen ook binnen organisaties ontstaan. Bij Volkswagen leidde de druk om de grootste autofabrikant ter wereld te worden tot manipulatie van emissiesoftware. Ook Boeing kwam aan bod als voorbeeld van productie- en concurrentiedruk die morele risico’s naar de achtergrond duwde.
In dat verband verwees Karssing naar onderzoek van criminoloog Eugene Soltes (2016), die gesprekken voerde met veroordeelde bestuurders uit grote fraudezaken. Volgens Soltes zagen veel van deze mensen zichzelf niet als criminelen, maar als gewone professionals die “hun werk deden”. Karssing gebruikte dit onderzoek om te laten zien dat witteboordencriminaliteit vaak niet ontstaat vanuit openlijke slechtheid, maar vanuit normalisering, routines en het verdwijnen van zicht op de gevolgen van beslissingen. Slachtoffers blijven vaak anoniem, verspreid en abstract, waardoor “het morele kompas niet meer aanslaat”.
Vanuit die observatie werkte Karssing eerst het begrip “teleopathie” verder uit: een obsessie met een bepaald doel waardoor andere waarden en belangen uit beeld verdwijnen. Volgens Karssing is focus noodzakelijk in organisaties, maar kan die focus doorschieten wanneer alleen nog telt wat meetbaar is. Daarbij verwees hij ook naar “de tirannie van het nu”: een cultuur van kwartaaldenken, prestatiedruk en kortetermijnbeloningen die langetermijnverantwoordelijkheid onder druk zet.
Karssing introduceerde vervolgens het werk van psycholoog Albert Bandura over “moral disengagement”, of morele ontkoppeling. Volgens Karssing schakelen mensen hun geweten meestal niet abrupt uit. Dat gebeurt geleidelijk via terugkerende mechanismen.
Karssing liet zien hoe mensen schadelijk gedrag kunnen goedpraten zonder zichzelf als slecht mens te zien. Hij noemde negen vormen van morele ontkoppeling. Mensen rechtvaardigen gedrag met een hoger doel, gebruiken verzachtende taal (“sjoemelsoftware” in plaats van fraude), vergelijken hun gedrag met ergere gevallen, schuiven verantwoordelijkheid af op “hogerhand” of verspreiden verantwoordelijkheid binnen grote organisaties. Ook verdwijnen slachtoffers uit beeld of krijgen zij zelf de schuld. Gevolgen worden gebagatelliseerd of ontkend, terwijl mensen langzaam wennen aan gedrag dat eerst nog verkeerd voelde. Zo ontstaat stap voor stap morele afstomping.
Karssing benadrukte dat integriteitsproblemen meestal niet ontstaan door één “rotte appel”, maar door een combinatie van tijdsdruk, groepsdynamiek, loyaliteit, doelobsessie, abstractie en gewenning. Daarom moeten organisaties volgens hem niet alleen vertrouwen op individuele moraal, maar actief omstandigheden creëren die moreel gedrag ondersteunen.
Daarbij gebruikte hij de metafoor van tuinieren. Een tuinier kan groei niet afdwingen, maar wel voorwaarden scheppen. Volgens Karssing werkt ethiek in organisaties vergelijkbaar. Goed gedrag ontstaat niet vanzelf, maar kan wel worden ondersteund door cultuur, voorbeeldgedrag, regels, dialoog en goede prikkels.
Tegelijkertijd waarschuwde hij voor een te technocratische kijk op compliance. Regels blijven belangrijk, juist omdat mensen feilbaar zijn, maar regels alleen zijn onvoldoende. Te veel nadruk op controle en afvinken kan juist cynisme oproepen. Organisaties moeten daarom actief ruimte organiseren voor reflectie, tegenspraak en morele twijfel.
In het slot van zijn lezing benadrukte Karssing dat organisaties tegenkrachten moeten organiseren tegen groepsdenken en morele blindheid. Hij noemde onder meer tegenspraak, expliciete verantwoordelijkheden, bescherming van klokkenluiders en het belang van actieve omstanders. Ethiek vraagt volgens hem niet alleen om regels, maar ook om oefening, voorbereiding en morele alertheid.
Zijn praktische conclusie was uiteindelijk opvallend eenvoudig: maak ethiek een vanzelfsprekend onderwerp van gesprek. Omdat vrijwel iedere beslissing moreel relevant kan zijn, hoort ethische reflectie niet alleen thuis bij crises of schandalen, maar juist ook bij “business as usual”. Alleen wanneer dilemma’s, twijfels, verantwoordelijkheden en gevolgen bespreekbaar blijven, kan het geweten actief en gevoelig blijven.
De centrale conclusie van Karssings lezing was daarmee dat ethiek niet begint bij perfecte mensen, maar juist bij gewone mensen met beperkingen, belangen en sociale afhankelijkheden. Integriteitsproblemen ontstaan volgens hem zelden uitsluitend door individuele slechtheid, maar vaak door combinaties van tijdsdruk, doelobsessie, groepsdynamiek en het onzichtbaar worden van gevolgen. Juist daarom moeten organisaties volgens Karssing niet alleen kijken naar “rotte appels”, maar vooral naar de “mand” waarin gedrag ontstaat.
De negen vormen van morele ontkoppeling laten zien hoe dicht gewone mensen bij ontsporing kunnen komen, juist zonder zichzelf als slecht te zien. Misschien is dat ook wel de belangrijkste les van Karssing: ethiek begint niet bij het streven naar een perfecte 10, maar bij het herkennen van de negen manieren waarop we onderweg ons morele kompas kunnen kwijtraken.
Bronnen
Bandura, A. (1999). Moral disengagement in the perpetration of inhumanities. Personality and Social Psychology Review, 3(3), 193–209.
Karssing, E. (2022). Beroepsethiek voor feilbare mensen: Adam Smith als leermeester. Nyenrode Business Universiteit.
Karssing, E. (2025). Het feilbare geweten: In gesprek met Adam Smith over ethiek in beroep en bedrijf. Rotterdam: Nederlands Compliance Instituut.
Karssing, E. (2026, 12 mei). Adam Smith, economie en ethiek: psychologisch realistische organisatie-ethiek [Lezing binnen het programma Leren van Diversiteit en Innovatie].
Smith, A. (1759/2009). The Theory of Moral Sentiments. London: Penguin Classics.
Smith, A. (1776/2007). An Inquiry into the Nature and Causes of the Wealth of Nations. Petersfield: Harriman House.
Soltes, E. (2016). Why they do it: Inside the mind of the white-collar criminal. New York: PublicAffairs.
2 reacties
Zie ook mijn LinkedIn-bericht:
https://www.linkedin.com/feed/update/urn:li:activity:7460565825494671360/
Digitale transformatie draait allang niet meer alleen om technologie, maar ook om menselijk gedrag, organisatiecultuur en morele keuzes. Toch verdwijnen menselijke gevolgen in de praktijk gemakkelijk naar de achtergrond wanneer KPI’s, snelheid en efficiëntie centraal staan. In onderstaande blog schets ik zeven stappen voor ethisch leiderschap bij digitale transformatie.
Ethisch leiderschap bij digitale transformatie
https://upstream.nl/2026/05/14/ethisch-leiderschap-bij-digitale-transformatie/