April is traditiegetrouw de Maand van de Filosofie, waarin jaarlijks een denker wordt uitgenodigd om een essay te schrijven over een prangend thema van deze tijd. Dit jaar nam Roxane van Iperen die rol op zich met Ik zie wat ik geloof, een essay dat inmiddels breed is besproken in de media.
Van Iperen schreef het essay tegen de achtergrond van een samenleving waarin digitalisering, globalisering en kunstmatige intelligentie het dagelijks leven ingrijpend hebben veranderd. Haar analyse vertrekt vanuit de observatie dat de werkelijkheid die mensen ervaren steeds minder samenvalt met een gedeelde, fysieke wereld. Waar die werkelijkheid lange tijd werd gevormd door gezamenlijke referentiepunten (feiten, taal en instituties) ontstaat nu een gefragmenteerd landschap waarin digitale platforms en algoritmen bepalen wat zichtbaar wordt.
De centrale gedachte wordt kernachtig samengevat in de omkering van een bekend uitgangspunt: niet langer ‘ik geloof wat ik zie’, maar ‘ik zie wat ik geloof’, vrij naar een verspreking van de Franse politicus Éric Zemmour: ‘Je ne vois que ce que je crois’. De subjectieve ervaring wordt daarmee steeds vaker leidend. Niet de werkelijkheid vormt het vertrekpunt, maar wat iemand al denkt of voelt.
Van Iperen plaatst deze ontwikkeling in een bredere maatschappelijke context. Ze grijpt terug op socioloog Zygmunt Bauman, die sprak over een ‘vloeibare samenleving’ waarin vaste verbanden verdwijnen en mensen zich steeds minder langdurig aan elkaar verbinden. In haar lezing kantelt die vloeibaarheid naar een digitale werkelijkheid die wordt georganiseerd door algoritmen, een infrastructuur die bepaalt wat we zien en hoe we dat zien. Tegelijk beschrijft ze, in lijn met filosoof Byung-Chul Han, hoe de moderne mens is veranderd in een soort mini-bv: een individu dat zichzelf voortdurend moet optimaliseren en verantwoordelijk wordt gehouden voor alles wat misgaat.
In haar essay verwijst ze naar een Instagram-video die zij zelf publiceerde over individualisering en zelfzorg. De reacties daarop illustreren volgens haar hoe het debat verschuift: niet de systeemkritiek staat centraal, maar de directe, emotionele reactie op een beeld of metafoor. Ze beschrijft dit als een ‘revolutie van de onderbuik’, waarin reflectie en taal naar de achtergrond verdwijnen. In dat licht verwijst ze naar Hannah Arendt, voor wie waarheid ontstaat in de ruimte tussen mensen, in taal en gesprek. Juist die ruimte komt onder druk te staan wanneer mensen zich terugtrekken in hun eigen, gepersonaliseerde informatiestroom.
Jongeren brengen volgens onderzoek dagelijks vele uren door op schermen, vaak zeven tot negen uur. Dat hangt samen met een verschuiving van lezen naar het consumeren van korte beelden en fragmenten. Van Iperen beschrijft hoe dit leidt tot wat ook wel ‘skim reading’ wordt genoemd: oppervlakkig lezen, waarbij het vermogen om complexe teksten te volgen en te doorgronden afneemt.
In het tweede deel van haar essay verschuift de focus naar macht. Digitale infrastructuren zijn in handen van een kleine groep technologiebedrijven en hun eigenaren, door haar ook wel ‘cloudlords’ genoemd, die niet alleen markten organiseren, maar ook de voorwaarden bepalen waaronder mensen denken, spreken en handelen. Ze schetst deze ontwikkeling onder meer aan de hand van de film Mountainhead (2025), waarin techmiljardairs toekijken hoe de wereld onder invloed van hun technologie ontwricht raakt. Die verbeelding sluit aan bij het denken van Ayn Rand, met name in The Fountainhead (1943) en Atlas Shrugged (1957), waarin een kleine elite zichzelf ziet als drijvende kracht achter de samenleving. Tegelijk roept het de vraag op of de werkelijkheid inmiddels de fictie niet heeft ingehaald.
De kern van haar betoog is dat deze ontwikkeling niet alleen economisch of technologisch is, maar ook cognitief en politiek. Wat wij ervaren als autonomie en vrijheid blijkt in haar analyse vaak een vorm van ‘procesoptimalisatie’: gedrag dat wordt gestuurd door systemen die gericht zijn op aandacht en winst. De vraag is dan niet langer óf technologie ons leven beïnvloedt, maar wie de macht heeft over de voorwaarden waaronder wij denken, voelen en handelen.
De belangrijkste conclusie is dat de gedeelde werkelijkheid, een voorwaarde voor democratie, onder druk staat. Als die gezamenlijke basis verdwijnt, wordt het moeilijk om nog een gemeenschappelijk gesprek te voeren of tot collectieve besluiten te komen. Van Iperen pleit daarom voor het herwaarderen van die gedeelde werkelijkheid. Dat begint met bewustwording van de systemen die onze waarneming sturen, maar ook met het actief opzoeken van frictie: het ontmoeten van andere perspectieven buiten de eigen bubbel. Daarnaast benadrukt ze het belang van fysieke aanwezigheid in de publieke ruimte, waar mensen elkaar niet als profiel of datapunt ontmoeten, maar als lichaam en als ander.
In een aanvullend artikel in Filosofie Magazine werkt ze deze denkrichting verder uit in zeven concrete ‘vluchtroutes’ voor het behoud van een gedeelde werkelijkheid. Ze roept op om te begrijpen wat er op het spel staat, om je te verdiepen in de werking van technologie en haar verdienmodellen, en om de verantwoordelijkheid niet uitsluitend bij het individu te leggen. Tegelijk wijst ze op het belang van het verminderen van eigen lijden, bijvoorbeeld door bewuster om te gaan met technologiegebruik. Ze pleit voor het lezen van fictie als bron van frictie en herkenning, voor deelname aan fysieke gemeenschappen en voor het relativeren van het idee dat ieder individu het middelpunt van zijn eigen verhaal is. Zie jezelf niet alleen als hoofdpersoon, maar ook als figurant binnen een groter geheel.
Als de gedeelde werkelijkheid verdwijnt, hoe kan er dan nog een collectief bestaan? Het essay eindigt impliciet met die vraag: hoe vinden we, in een wereld van individuele werkelijkheden, opnieuw een ‘wij’?
Ik las het boek gisteren in één ruk uit. Van Iperen zuigt je mee in een analyse waarin de druk zich zo opbouwt dat je als lezer het gevoel hebt dat je nauwelijks tijd hebt om weer op adem te komen, maar laat aan het einde gelukkig ook zien dat er nog wel degelijk mogelijkheden zijn om te werken aan een nieuw ‘wij’. Dank voor dit zeer goed geschreven en belangrijke essay, Roxane!
Bronnen
- Van Iperen, R. (2026). Ik zie wat ik geloof. Uitgeverij Pluim.
- Spreksel, D. (2026, 24 maart). 7 tips voor het behoud van een gedeelde werkelijkheid van Roxane van Iperen. Filosofie Magazine.
- Verhagen, L. (2026, 26 maart). We geloven niet langer wat we zien. de Volkskrant.
- Van Beek, D., & Bouma, H. (2026, 28 maart). Big tech maakt fruitvliegjes van onze kinderen. Financieele Dagblad.
- Dros, L. (2026, 29 maart). Techbro’s hollen ons kritische denkvermogen uit. Trouw.