De dolfijnenillusie: wat zien kinderen anders dan volwassenen?

door Marco Derksen op 3 oktober 2026

Ik kende de illustratie Message d’amour des dauphins al wat langer. Het is een optische illusie van de Zwitserse kunstenaar Sandro Del-Prete. Deze week kwam de illustratie opnieuw voorbij tijdens een interessante sessie over denken als een kind. Je kunt het beeld op twee manieren bekijken: als een naakt liefdespaar en als een groep dolfijnen. Vaak wordt verteld dat volwassenen vooral het paar zien, terwijl kinderen de dolfijnen herkennen omdat zij een ander referentiekader hebben.

Dat klinkt aannemelijk. Maar klopt het ook?

De illustratie wordt al jaren op internet gedeeld als voorbeeld van het verschil tussen de waarneming van kinderen en volwassenen. Ook Scientific American schreef in 2010 dat volwassenen twee naakte geliefden zien, terwijl jonge kinderen alleen dolfijnen zouden herkennen. De auteurs koppelden dit aan het idee dat onze mentale context beïnvloedt hoe we dubbelzinnige beelden interpreteren.

Daarbij wordt echter geen onderzoek genoemd dat deze tegenstelling tussen kinderen en volwassenen onderbouwt. En voor zover ik in de wetenschappelijke literatuur kan nagaan, is er ook geen onderzoek gedaan waarin beide groepen systematisch Message d’amour des dauphins te zien kregen. De vaak herhaalde bewering bij deze illustratie kan daarom niet als vastgesteld onderzoeksresultaat worden beschouwd.

Het idee erachter komt overigens niet uit de lucht vallen. Onderzoekers bestuderen al tientallen jaren hoe eerdere ervaringen, verwachtingen en aandacht de interpretatie van dubbelzinnige beelden beïnvloeden.

Een klassiek voorbeeld is de zogenoemde rat-man-figuur: één tekening die zowel als rat als menselijk gezicht kan worden gezien. Bugelski en Alampay gebruikten deze afbeelding in 1961 in onderzoek naar perceptual sets: verwachtingen die ontstaan door wat iemand vlak daarvoor heeft gezien. Eerdere blootstelling aan bepaalde beelden bleek de latere interpretatie van een dubbelzinnige figuur te kunnen beïnvloeden. Het effect werd niet simpelweg sterker naarmate iemand vaker hetzelfde soort beelden zag en had mogelijk ook te maken met categorisering, niet alleen met visuele waarneming.

Een jaar later onderzochten Hayne Reese en LeRoy Ford hetzelfde principe bij kleuters. Zij lieten kinderen eerst een reeks dieren of menselijke gezichten zien en vroegen daarna wat zij verwachtten te zien, voordat ze de dubbelzinnige rat-manfiguur kregen aangeboden. Kinderen interpreteerden het beeld vaker in lijn met wat ze daarvoor hadden gezien en vervolgens verwachtten. Het effect was sterker na een reeks dieren dan na menselijke gezichten.

Goolkasian en Woodberry toonden aan dat woorden of objecten die verband hielden met een van de mogelijke interpretaties, de waarneming in die richting konden sturen. Dat gebeurde alleen wanneer deelnemers hun aandacht op die betekenisrelatie richtten. Lag de nadruk op fysieke kenmerken van de afbeeldingen, dan verdween het effect.

Bij kinderen speelt bovendien het vermogen om te begrijpen dat één beeld twee betekenissen kan hebben en om tussen die interpretaties te wisselen. Dat ontwikkelt zich in de loop van de tijd.

Rock, Gopnik en Hall onderzochten drie- en vierjarige kinderen met dubbelzinnige figuren. Zonder uitleg wisselden zij niet spontaan tussen interpretaties. Zelfs nadat hun was verteld dat er twee voorstellingen in dezelfde afbeelding konden zitten, lukte het slechts een deel om daadwerkelijk van interpretatie te veranderen.

Wimmer en Doherty brachten die ontwikkeling later uitgebreider in kaart. Rond het vierde levensjaar beginnen kinderen beter te begrijpen dat één afbeelding meer dan één geldige interpretatie kan hebben. Het vermogen om daadwerkelijk tussen interpretaties te schakelen, ontwikkelt zich daarna verder. Daarbij spelen onder meer het loslaten van de eerste interpretatie en het oproepen van een alternatief beeld een rol.

Die verschillen zijn niet bij iedere leeftijd of afbeelding hetzelfde. Recentelijk onderzochten Umekawa, Kanazawa en Yamaguchi hoe kinderen van zes tot twaalf jaar en volwassenen naar de bekende Rubin-vaas kijken: een beeld dat zowel als vaas als als twee gezichtsprofielen kan worden gezien. Zij gebruikten verschillende versies waarin visuele kenmerken de gezichten of juist de vaas waarschijnlijker maakten.

Kinderen reageerden grotendeels hetzelfde als volwassenen. Ondersteunde de afbeelding een bepaalde interpretatie, dan verschoof de waarneming bij beide groepen in die richting. Slechts op onderdelen waren er verschillen. De eigenschappen van het beeld zelf spelen dus een belangrijke rol; kinderen van basisschoolleeftijd vertonen bij dit soort taken niet simpelweg een eigen, afwijkend waarnemingspatroon.

Ook onderzoek naar de bekende jonge-vrouw/oude-vrouwfiguur laat zien waarom voorzichtigheid nodig is met uitspraken over wat iemand precies ‘ziet’. Nicholls, Churches en Loetscher toonden in hun onderzoek aan dat jongere deelnemers de afgebeelde vrouw gemiddeld jonger in te schatten dan oudere deelnemers. De onderzoekers zagen daarin aanvankelijk een aanwijzing dat iemands eigen leeftijd de waarneming kan beïnvloeden.

Een vervolgonderzoek door Brouwer, Jin, Waldi en Verheyen vond opnieuw een verband tussen de leeftijd van de waarnemer en de geschatte leeftijd van de vrouw, maar geen overtuigend bewijs dat jongere en oudere deelnemers daadwerkelijk vaker een andere vrouw zagen. Volgens de auteurs past het resultaat beter bij een anchoring-effect: de eigen leeftijd beïnvloedt vooral het oordeel over de leeftijd van de figuur, niet noodzakelijk de visuele perceptie.

Dat onderscheid is relevant voor de dolfijnenillusie. Uit ‘ik zie dolfijnen’ of ‘ik zie een stel’ volgt niet automatisch wat iemand als eerste zag, hoelang die interpretatie dominant bleef of welke rol instructie, aandacht en verwachting speelden. Wat mensen rapporteren dat ze zien, is dus niet altijd hetzelfde als wat aanvankelijk perceptueel dominant was.

De specifieke bewering dat kinderen bij Message d’amour des dauphins dolfijnen zien en volwassenen een liefdespaar, is voor zover ik kan nagaan niet wetenschappelijk onderzocht. De illustratie kan dus niet dienen als empirisch bewijs dat kinderen vanwege een ander of beperkter referentiekader fundamenteel iets anders zien dan volwassenen.

De bredere gedachte krijgt wel steun uit onderzoek. Eerdere ervaringen, verwachtingen, aandacht en context kunnen bepalen welke interpretatie van een dubbelzinnig beeld op de voorgrond treedt. Bij jonge kinderen speelt ook de ontwikkeling van het vermogen om verschillende betekenissen in één afbeelding te herkennen en ertussen te wisselen.

De populaire verklaring dat kinderen de dolfijnen zien omdat zij nog geen seksueel referentiekader hebben, is daarmee te eenvoudig. Bij Del-Pretes afbeelding veranderen verschillende dingen tegelijk: dieren tegenover mensen, losse vormen tegenover één scène, details tegenover het totaalbeeld en figuur tegenover achtergrond. Zonder gecontroleerd experiment valt niet vast te stellen welke factor een eventueel verschil tussen kinderen en volwassenen veroorzaakt.

Message d’amour des dauphins blijft daarmee wel een bruikbare illustratie van een bredere les, maar niet als bewijs voor een scherpe tegenstelling tussen de kinder- en volwassenblik. Waarnemen is geen simpele registratie van wat zich voor onze ogen bevindt. Wat we zien, ontstaat uit een samenspel van het beeld, eerdere ervaringen, verwachtingen, aandacht en cognitieve ontwikkeling.

Bronnen

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze site gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie gegevens worden verwerkt.

Laatste blogs

Bekijk alle blogs (1472)
Contact