Op de terugweg van onze reis door Schotland luisterden we naar een aflevering van De Ongelooflijke Podcast met de Britse psychiater, neurowetenschapper en filosoof Iain McGilchrist. Hij woont op het Schotse eiland Skye, waar hij uitkijkt over zee en dicht bij bergen en rivieren leeft. Volgens McGilchrist zijn de rust, de tijd en het directe contact met de natuur belangrijk geweest voor zijn denken en schrijven. Hij betwijfelt zelfs of hij hetzelfde werk had kunnen schrijven zonder die omgeving. Voor hem staat de natuur niet los van de mens: wij maken er zelf deel van uit.
McGilchrist begon als literatuurwetenschapper in Oxford, volgde later een medische opleiding en werd psychiater. Zijn werk bevindt zich op het snijvlak van neurowetenschap, psychiatrie en filosofie. In het gesprek met David Boogerd en Stefan Paas staat de vraag centraal hoe de manier waarop wij aandacht geven aan de werkelijkheid beïnvloedt wat wij zien en begrijpen.
McGilchrist verzet zich tegen het populaire, versimpelde beeld dat de ‘linkerhersenhelft rationeel’ en de ‘rechterhersenhelft creatief’ zou zijn. Zijn stelling is dat beide hemisferen ons verschillende manieren bieden om aandacht aan de werkelijkheid te geven. De linkerhersenhelft associeert hij met gerichte aandacht, explicitering en analyse: onderdelen worden uit hun bredere context gelicht. De rechterhersenhelft verbindt hij sterker met brede aandacht, context, relaties, impliciete betekenis en het geheel. Beide hemisferen zijn volgens hem onmisbaar, maar hun rollen zijn niet volledig symmetrisch.
Een voorbeeld dat hij gebruikt, is het probleem van ‘eten zonder zelf gegeten te worden’. Een dier moet scherp kunnen focussen op voedsel en tegelijk de omgeving blijven volgen om gevaar, soortgenoten of jongen op te merken. Volgens McGilchrist vragen die twee taken om verschillende vormen van aandacht. Ook bij taal en kunst ziet hij dat verschil. De letterlijke woorden van een gedicht zijn niet hetzelfde als de volledige betekenis ervan: ironie, metafoor, toon en context spelen eveneens een rol. Juist dat impliciete begrip verbindt hij sterker met de rechterhersenhelft.
Vervolgens plaatsen Boogerd en Paas zijn theorie in een bredere cultuurkritische context. Zij vragen of moderne samenlevingen te sterk zijn gaan vertrouwen op analyseren, categoriseren, controleren en gebruiken. Volgens McGilchrist heeft de moderne westerse cultuur inderdaad een voorkeur ontwikkeld voor een expliciete, abstracte en op nut gerichte manier van kijken.
Hij waardeert de Verlichting en de vooruitgang die rationaliteit, wetenschap en techniek hebben gebracht. Zijn kritiek richt zich dus niet op rationaliteit of wetenschap zelf, maar op de veronderstelling dat alles wat werkelijk van belang is volledig expliciet en rationeel onder woorden kan worden gebracht. Volgens hem zijn er vormen van begrip die afhankelijk zijn van ervaring, context en impliciete betekenis.
Daar ligt voor McGilchrist een fundamenteel risico: dat we succes in analyseren en beheersen aanzien voor bewijs dat we de werkelijkheid volledig begrijpen. Dat we iets effectief kunnen gebruiken, betekent nog niet dat we de aard of betekenis ervan doorgronden. In zijn bredere werk werkt McGilchrist deze gedachte uit als kritiek op reductionisme: analyse is noodzakelijk, maar onderdelen worden volgens hem pas werkelijk begrijpelijk binnen de relaties en het grotere geheel waarvan ze deel uitmaken.
Tegelijk verwerpt hij een biologisch-deterministische lezing van zijn theorie. De hersenen veroorzaken volgens hem niet simpelweg de geschiedenis. Politieke, economische en maatschappelijke ontwikkelingen blijven relevant. Zijn hersenmodel gebruikt hij niet om zulke verklaringen te vervangen, maar om zichtbaar te maken hoe verschillende manieren van aandacht onze ervaring en cultuur kunnen vormen.
Zijn werk suggereert een mogelijke wisselwerking: een cultuur kan bepaalde vormen van aandacht bevoordelen, waarna die manier van kijken steeds vanzelfsprekender wordt. Een samenleving die sterk draait om abstractie, procedures en beheersing kan zo een omgeving creëren waarin juist die vorm van aandacht steeds meer voorrang krijgt.
Paas brengt vervolgens verschillende maatschappelijke problemen samen: secularisatie, vervreemding van de natuur, psychisch lijden en sociale fragmentatie. Hij vraagt of deze verschijnselen een gemeenschappelijke achtergrond kunnen hebben. McGilchrist antwoordt bevestigend. Volgens hem hangen ze onder meer samen met een manier van kijken die onderdelen van elkaar losmaakt en het grotere verband minder goed ziet.
Ook het begrip ‘zingevingscrisis’ komt ter sprake. McGilchrist noemt drie zaken die volgens de door hem aangehaalde psychologische literatuur sterk bijdragen aan betekenis en menselijk welzijn: een gemeenschap waarin mensen waarden en zorg delen, verbondenheid met de natuur en het gevoel deel uit te maken van een heilige of betekenisvolle kosmos.
Zijn eigen leven op Skye sluit direct aan bij het tweede punt. Hij beschrijft de zee, bergen, rivier, vogels en schapen rond zijn huis, maar vooral het gevoel ingebed te zijn in de natuurlijke wereld. Daarmee bedoelt hij niet dat iedereen afgelegen moet wonen. Het gaat hem om de verhouding tot de natuur: niet alleen kijken naar een omgeving die we kunnen inrichten en beheren, maar ervaren dat wij er zelf deel van uitmaken.
McGilchrist spreekt ook expliciet over waarheid, goedheid en schoonheid. Hij vindt dat deze waarden onder druk komen te staan wanneer nut en macht de belangrijkste maatstaven worden. Volgens hem heeft de moderne samenleving veel materiële en technische vooruitgang geboekt, zonder dat daar automatisch meer geluk uit is voortgekomen.
In diezelfde lijn waarschuwt hij voor een cultuur waarin het expliciete, kwantificeerbare en instrumenteel bruikbare gemakkelijk zwaarder weegt dan het betekenisvolle. Wat voor mensen het meest waardevol is, laat zich volgens hem niet altijd adequaat reduceren tot expliciete categorieën, juist omdat waarde afhankelijk is van context, relaties en ervaring.
McGilchrist stelt ook dat psychische problemen zijn toegenomen en verwijst naar Amerikaans onderzoek waarin diagnosticeerbare psychische problematiek onder jongeren volgens hem vijf tot acht keer zo groot zou zijn als in de jaren dertig.
Ook bureaucratie en AI komen ter sprake. McGilchrist ziet beide als voorbeelden van systemen die goed aansluiten bij regels, expliciete procedures en algoritmen. Zijn zorg is niet dat zulke systemen per definitie verkeerd zijn, maar dat samenlevingen er te veel vertrouwen in kunnen stellen. Het gesprek bewijst niet dat bureaucratie, AI of psychische problemen door een bepaalde hersenhelft worden veroorzaakt; het gaat om McGilchrists filosofische interpretatie van een breder patroon.
In De Ongelooflijke Podcast stipt hij AI slechts kort aan. In andere gesprekken werkt hij zijn kritiek verder uit. In Why A.I. will never be able to do what the brain does verzet hij zich tegen de opvatting dat de menselijke geest uiteindelijk als een machine kan worden begrepen en dat computationele systemen daarom in beginsel hetzelfde zouden kunnen doen als een menselijk brein. Hij verbindt die kritiek met zijn bredere bezwaren tegen materialisme en reductionisme en met zijn theorie over de twee hemisferen. Zijn kernpunt is niet dat AI weinig kan, maar dat computationele prestaties en informatieverwerking niet zonder meer hetzelfde zijn als menselijk begrijpen, bewustzijn of inzicht.
In het laatste deel verschuift het gesprek naar religie. McGilchrist noemt zichzelf tegenwoordig, met enige terughoudendheid, christen. Hij zegt nadrukkelijk dat hij niemand wil bekeren. Wel denkt hij dat een cultuur een gedeeld ‘mythos’ nodig heeft: een verhaal dat waarden niet alleen formuleert, maar ook verbeeldt en belichaamt. Omdat het Westen historisch diep door het christendom is gevormd, ziet hij juist die traditie als de meest geëigende bron voor zo’n gedeeld cultureel kader.
Hij gaat zelfs zover te stellen dat de westerse beschaving volgens hem waarschijnlijk niet zal voortbestaan zonder een hernieuwde belichaming van belangrijke christelijke principes. Dat is een normatieve en historische overtuiging van McGilchrist, geen conclusie die rechtstreeks uit zijn neurowetenschappelijke argument volgt.
Zijn betoog suggereert dat verandering niet alleen uit institutionele of procedurele oplossingen kan bestaan, maar ook een verandering vraagt in de manier waarop we aandacht geven. Een centrale gedachte is dat we beide vormen van aandacht nodig hebben: de gerichte, analyserende blik én de bredere blik die samenhang, relaties, natuur en betekenis ziet. Het probleem ontstaat wanneer de eerste zich losmaakt van dat bredere kader en dominant wordt.
McGilchrists theorie biedt een prikkelende manier om naar onze tijd te kijken, maar vraagt ook om onderscheid tussen verschillende soorten uitspraken: de empirische claims waarop hij zich beroept, zijn interpretatie van culturele ontwikkelingen en zijn filosofische en religieuze conclusies. Die zijn in zijn betoog nauw met elkaar verbonden, maar hebben niet dezelfde bewijskracht.
Zelf noemt hij zich een ‘hopeful pessimist’: eerlijk kijken naar wat er misgaat, zonder de hoop te verliezen dat we andere keuzes kunnen maken en opnieuw ruimte kunnen geven aan wat waar, goed en mooi is.
Bronnen
- NPO Radio 1. (2026). #318 – Ons brein is uit balans – Dr. Iain McGilchrist over de diepere crisis van het Westen. De Ongelooflijke Podcast.
- The Institute of Art and Ideas. (2026, 30 juni). Why A.I. will never be able to do what the brain does | Iain McGilchrist. YouTube.
Verder lezen
- The Master and His Emissary: The Divided Brain and the Making of the Western World (2009) is zijn bekendste boek. Daarin verbindt McGilchrist hemisferische verschillen met zijn interpretatie van de geschiedenis van de westerse cultuur, waaronder kunst, religie, filosofie en wetenschap.
- The Matter with Things: Our Brains, Our Delusions and the Unmaking of the World (2021) is zijn veel omvangrijkere vervolgwerk, in twee delen. Daarin verbreedt hij zijn onderzoek naar vragen over kennis en werkelijkheid en naar thema’s als betekenis, waarde, bewustzijn, schoonheid en waarheid.